Kitaro

Als mijn vader thuiskwam met nieuwe muziek, was ik er als de kippen bij om het desbetreffende album zo snel mogelijk in te pikken. En zo geraakte ik op slinkse wijze aan Kitaro's album 'Ki', dat kennissen van mijn ouders ooit eens enthousiast hadden meegenomen. De cassette (jawel! ik heb het over begin jaren tachtig) bevatte nauwelijks informatie en ik heb lang gedacht dat Kitaro een klein Japans mannetje was met een lange sik - wat tot mijn verrassing nog bleek te kloppen ook.

Kitaro (oftewel de nu 52-jarige Masanori Takahashi) richtte begin jaren zeventig de Far East Family Band op, en bracht twee redelijk populaire albums met progressieve rock op de markt. Tijdens een reis door Europa ontmoette Kitaro in 1972 elektronicapionier Klaus Schulze, die hem de liefde voor de synthesizer bijbracht. Kitaro zette zich na thuiskomst aan het knutselen en in 1978 zag zijn debuut 'Astral Voyage' het licht, een rustgevend album waarmee hij een van de grondleggers werd van het new age-genre. Zijn grote doorbraak kwam toen hij in 1980 werd gevraagd door de Japanse omroep om de muziek te maken voor de documentaireserie 'Silk Road'. Het gelijknamige album (en de albums die later zouden volgen: de serie liep in totaal vijf jaar) bevatte speelse, bijna naïeve instrumentale tracks en werd tot Kitaro's verrassing een bestseller - ook buiten Japan. Kitaro had zijn niche gevonden en bouwde gestaag aan zijn oeuvre, dat langzamerhand steeds bombastischer en symfonischer van aard werd.

Lees meer »

peter Dinsdag 28 Februari 2006 at 11:57 pm | | flashback | Geen reacties

Liliental

Ik begon een beetje achter te raken. Leuk hoor, dat internet - een beetje rondklikken levert talloze 'vergeten albums' op, maar als je niet uitkijkt raken ze bijna net zo vergeten op je harde schijf. Tijd om eens een grote schoonmaak te houden. Na enkele freaky albums uit de jaren zestig, begon de moed me in de schoenen te zakken. En toen was het album 'Liliental' aan de beurt, een eenmalig project van Cluster-mastermind Dieter Moebius.

Al bij de eerste klanken ging ik er eens goed voor zitten, stak een wierookstaafje aan en besloot dat de rest van mijn harde schijf wel tot morgen kon wachten. Moebius dook in 1978 de studio in met Asmus Tietchens, Okko Bekker, producer Conny plank en Kraan-leden Johannes Pappert en Helmut Hattler. De krautrock-periode liep zo'n beetje op haar laatste benen en de elektronische muziek stevende af op een nieuwe, commerciële fase. 'Liliental' laat zich dan ook beluisteren als een (eigenaardige) samenvatting van de psychedelische jaren zeventig en biedt alvast een inkijkje in de jaren die zouden volgen.

'Liliental' gaat van start met het vervreemdende en jazz-achtige 'Stresemannstrasse', dat naadloos overloopt in het kosmische 'Adel', met drones, aanzwellende synths en monotone Tangerine Dream-koortjes. Met 'Wattwurm' (gevuld met sequencers, buitenaardse bliepjes, een lome drumbeat en een twengelende gitaar) beland je weer met beide benen op de grond.

'Vielharmonie' is een ruimtelijke track, dat wel wat weg heeft van de muziek van Brian Eno uit die periode (niet verwonderlijk, want een jaar eerder doken beiden nog de studio in). En dan wordt het weer vreemd; aanvankelijk klinkt 'Gebremster Schaum' avant-gardistisch en experimenteel, maar na een minuut of wat duikt er een rustgevende akoestische gitaar op, op de hielen gezeten door een saxofoon en af en toe overscherende ufo's. De laatste track, 'Nachaison', is het vreemdst, vergeleken met de rest van het album: een vrij 'normaal' lounge-achtig nummer, met een murmelende Okko Bekker (zingt ie nu in het Frans?) en veel herhaling. Vaste lezers van mijn log weten nu wel zo'n beetje wat ze kunnen verwachten, anderen mogen alvast een mapje 'Weird' aan gaan maken en zich alvast voorbereiden op een half uurtje rare muziek. Download 'Liliental' via Rapidshare.

peter Maandag 27 Februari 2006 at 11:52 pm | | krautrock | Geen reacties

WAHWAH (2)

Het huwelijk tussen popmuziek en literatuur levert vaak vreemde kinderen op: oude blues-zangers, excentrieke singer-songwriters en rebelse rockers. En dat zijn ook precies de ingrediënten van het eerste nummer van het nieuwe literaire poptijdschrift WAHWAH. Om eerlijk te zijn ben ik niet zo van de singer-songwriter annex oude blueshelden, maar gelukkig bevat WAHWAH voor elk wat wils, hoewel de nietsvermoedende muziekliefhebber wel even achter zijn oren zal krabben bij uitgebreide artikelen over Joe South (Jan Donkers) en Willem van kooten (Auke Kok) - aardig om te lezen, maar echt wild word ik er niet van.

Leuker is het hilarische verhaal van Peter Buwalda over Sonny Boy Williamsen II, zijn schoonouders en Marco Borsato en het artikel van Kees 't Hart over Jack Scott. Van een geheel andere orde is Erik Brouwers 'Jailhouse rap', een interessant en bijzonder goed essay over gangsta-rappers achter de tralies. Leon Verdonschot interviewt tourmanager Leo (die vol zit met Peter Pan Speedrock- en El Guapo Stunt Team-anekdotes), Didi de Paris doet een boekje open over Johnny Rotten en de Sex Pistols en Roel Bentz van den Berg houdt een academisch (en bij vlagen wat wazig) betoog over rock-'n-roll-journalistiek. Columns van de Easy Aloha's, Thomas Verbogt en Daniël Lohues zijn als rozijntjes door WAHWAH gestrooid, maar weten mij niet te overtuigen.

Lees meer »

peter Zondag 26 Februari 2006 at 11:57 pm | | review | Eén reactie

Akiko Yano

Borstcrawlend door de onvoorspelbare getijdenstroom van het internet belandde er opeens een album van de Japanse zangeres Akiko Yano op mijn harde schijf. Haar naam deed vaag een belletje rinkelen in mijn stoffige bovenkamer, en na enig nadenken wist ik het weer: ze had iets te maken met Yellow Magic Orchestra, de Japanse supersynthband (zie deze entry).

Na een bezoek aan haar website was ik helemaal op de hoogte. Akiko is een beroemdheid in Japan en bracht op 21-jarige leeftijd haar eerste album 'Japanese Girl' uit, waarmee ze direct tot het tieneridool schopte. De leden van YMO namen haar mee op tournee, werkten mee aan haar albums en in 1982 trouwde ze met Ryuichi Sakamoto (om in 2002 van hem te scheiden, maar dit terzijde). Ze werkte samen met bekende musici als Thomas Dolby, Pat Metheny en The Chieftains, was live te bewonderen op onder meer het Montreux Jazz Festival en speelde voor uitverkochte zalen in Amerika -  volgens de biografie op haar site dan.

Akiko heeft inmiddels een lijvig oeuvre op haar naam staan van 24 albums en via Hanszunblog kwam ik 'Gohan ga dekitayo' uit 1980 op het spoor; de ideale remedie tegen een slecht humeur. Het album bevat speelse, onweerstaanbaar vrolijke liedjes en 'Zaikungtong shonen' en vooral 'Tong poo' zullen YMO-fans ongetwijfeld bekend in de oren klinken. Sakamoto heeft 'Gohan ga dekitayo' volgestopt met bliepjes en Akiko zorgt voor een glimlach dankzij haar jazzy pianospel, hoge uithalen en meeslepend enthousiasme. Het is misschien even wennen (alle nummers zijn in het Japans met af en toe een flard Engels), maar als je daar doorheen bent, dans je springend door de woonkamer.

Ik heb geen idee hoe haar overige albums klinken en ga hard mijn best doen om daar achter te komen - hoewel het merendeel van haar oeuvre helaas alleen in Japan is te verrkrijgen. In dit zipje vind je tien nummers van 'Gohan ga dekitayo'; je zult zelf even moeten taggen ('Zaikungtong shonen' is in ieder geval track 4, 'Tong poo' is track 3).

peter Zaterdag 25 Februari 2006 at 6:59 pm | | interessant | Twee reacties

Kelly Clarkson

De laatste tijd is mijn log enigszins aan het veranderen in een verzamelplaats voor rare muziek. Hoog tijd dus voor eens een 'normaal' album. En een van de meest niets-aan-de-hand cd's die ik in mijn stapel 'nog te beluisteren' kon vinden, was 'Breakaway' van Kelly Clarkson, winnares van de eerste 'American Idol: The Search for a Superstar' in 2002. Met haar tweede album sleepte Clarkson onlangs een Grammy Award in de wacht voor Beste Popalbum, dus dat belooft wat. Nu kende ik de zangeres natuurlijk wel; de springerige singles 'Since U Been Gone' en 'Behind These Hazel Eyes' komen vaak genoeg voorbij op TMF. In vergelijking met haar debuut 'Thankful' is 'Breakaway' wat scherper en meer gitaargeoriënteerd, een soort Avril Lavigne, maar dan met een minder chagrijnig imago. De 12 tracks steken goed in elkaar (halverwege elk nummer kun je al mee gaan zingen) en zijn rimpelloos en vakkundig geproduceerd.

Het enige probleem dat ik met het album heb, is dat ik na een paar keer luisteren voorlopig wel genoeg heb gehoord. Dat ligt niet zozeer aan Clarksons stem (want zingen kan ze), als wel aan het feit dat 'Breakaway' simpelweg pure popmuziek bevat, bedoeld voor een groot, mainstream publiek. Dat betekent dat verrassingen (een aardig arrangementje, songteksten die nu eens niet over liefdesverdriet gaan) uitblijven. Niet dat dat per se noodzakelijk is, maar toch. Kelly Clarkson levert met 'Breakaway' een luchtige en solide popplaat af, waar vrij weinig op af te dingen valt. Het album stamt overigens al uit eind 2004. Op haar website vind je een groot aantal videoclips en kun je (fragmenten van) enkele tracks beluisteren.

peter Vrijdag 24 Februari 2006 at 11:56 pm | | review | Drie reacties

Bröselmaschine

Het Duitse Bröselmaschine markeert de overgang tussen de akoestische folk uit de jaren zestig en de krautrock-rage die in de jaren zeventig Duitsland in zijn greep had. Met een beetje fantasie kun je de groep dus scharen onder de noemer 'krautfolk'.

Spil in Bröselmaschine was de begenadigde gitarist Peter Bursch, die de groep in 1968 oprichtte. Begin jaren zeventig leefden de Bröselmaschine-leden gezellig bij elkaar in een commune in Duisberg en met hun naar zichzelf vernoemde debuutalbum openden ze de deur naar de wereld van de 'kosmische Musik'. Albumopener 'Gedanken' is een rustig nummer met akoestische en elektrische gitaar, fluit en romantische teksten (Engels met een Duits accent) en na de Schotse evergreen 'Lassie' en 'Guitarrenstuck' dreig je halverwege het album in een vredige slaap te sukkelen. Met 'The Old Man's Song' begint het interessant te worden, dankzij een wahwah-gitaartje, lichte tablas-percussie en uitgebreid gepiel en gefreak op een gitaar. Hoogtepunt van het album is het ruim negen minuten durende 'Schmetterling': sitar en fluit zorgen voor een Oosterse sfeer, Bursch speelt gitaar of zijn leven ervan af hangt en mysterieuze mellotronklanken maken het geheel af. Prachtig! In afsluiter 'Nossa Bova' (geen spelfout) wordt het gas weer wat teruggenomen.

Het album werd geen groot succes, en in 1972 hief de groep zichzelf op en vertrokken enkele bandleden naar India. Drie jaar later blies Bursch Bröselmaschine nieuw leven in, nu onder de naam 'Peter Busch und die Br?selmaschine' en met de hulp van Guru Guru-leden Mani Neumeier en Roland Schafer. Begin jaren negentig verscheen het  Bröselmaschine-debuut op cd, maar dit betrof slechts een kleine oplage. En wederom biedt het internet uitkomst: beluister het album via Rapidshare. (Met dank aan de Krautrock Album Database en 8 Days in April.)

peter Donderdag 23 Februari 2006 at 11:44 pm | | krautrock | Geen reacties

Zwarte Poëzie

Via Ongekend Talent (een website waarop onbekende Nederlandse bandjes zich kunnen presenteren), stuitte ik op Zwarte Poëzie, een wave-project van de jonge Utrechtenaar Edwin van der Velde en Sanne Korf. De invloeden van The Cure, Joy Division en Doe Maar liggen er duimendik bovenop, en gelukkig geeft Van der Velde dat ook grif toe. Op hun minimalistisch vormgegeven website is de demo 'Andere fantasie' te downloaden (zip-bestand van zo'n 15 MB), die best wel aardig klinkt - zeker voor een eerste demo.

Zwarte Poëzie maakt maakt wave zoals The Cure in hun begindagen, of liever gezegd: zoals je je herinnert dat de muziek van Robert Smith klonk begin jaren tachtig: nerveuze gitaarloopjes, een pompende bas en energieke drums. Verrassend genoeg zingt Van der Velde in het Nederlands, waardoor het duo opvalt in de grijze massa. De demo bevat drie tracks: 'Sjans', 'Spookhuis' en 'Misschien morgen wel'. De eerste twee nummers klinken overduidelijk als The Cure, hoewel de verveling iets te snel toeslaat en vooral 'Sjans' tekstueel nogal simpel overkomt (''Ik heb een oogje op jou / Als ik morgen wakker word dan naast jou''). Prijsnummer en reden van deze entry is 'Misschien morgen wel', een sfeervol nummer met gruizige geluidseffecten, traag voortrollende drums en ijle, lichtelijk overstuurde synthesizers.

Tijdens het luisteren kreeg ik gelijk zin om mijn zwarte puntschoenen van zolder te halen en op een drafje naar de dichtstbijzijnde batcave te hollen. Wie zich overigens geroepen voelt om Clan of Xymox naar de kroon te steken, is van harte uitgenodigd: Zwarte Poëzie is hard op zoek naar een drummer en een toetsenist.

peter Donderdag 23 Februari 2006 at 9:20 pm | | overig | Eén reactie

Varia

Eerder deze week schreef ik een nogal zeikerig stukje over The Delhi Sweet. Gelukkig vatten de bandleden het allemaal sportief op (getuige de reacties op het stukje), en kreeg ik alsnog de gelegenheid om naar de in eigen beheer uitgebrachte ep 'Painted Halls' te luisteren. Het is mij een raadsel waarom de groep ervoor gekozen heeft om 'Blueberry Pie' online beschikbaar te stellen. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik The Delhi Sweet nog steeds een soort psychedelische Coldplay vind en de eerder genoemde track nog altijd niet aan mij besteed is, maar de overige vier nummers vallen alleszins mee. Niet geheel mijn ding weliswaar: The Delhi Sweet is zo ontzettend serieus dat je er bijna van in houthakkershemden gaat lopen. Aanstaande zaterdag 24 februari wordt de 'Painted Halls'-ep gepresenteerd in Amsterdam (Wilhelmina, Veemkade 576). Toegang is 5 euro, en voor nog eens 5 euro krijg je het ep'tje er ook nog eens bij.

En omdat ik verder niet zoveel te melden heb over The Delhi Sweet, wat leuke filmpjes en ongein: een rappende ninja in het park (laden verloopt wat stroef), de Duitse jongensgroep Die Zipfelbuben covert 'Kedeng kedeng' van Guus Meeuwis (Real Media), een nogal... sober vormgegeven remixer (leuk voor precies één minuut), een gevoelig liedje over onderbroeken (met poezen in de hoofdrol), de vijf slechtste audities bij American Idols, en een fraaie Honda Civic-commercial waarin een koor de geluiden van een auto imiteert. En mocht je je vervelen, bekijk dan dan de complete klassieker 'Nosferatu, eine Symphonie des Grauens' (uit 1922) via Google Video.

peter Woensdag 22 Februari 2006 at 10:00 pm | | overig | Twee reacties

Sergej Rachmaninov

Sergej Rachmaninov (1873-1943) was een romanticus in hart en nieren. Hij groeide op in Sint Petersburg, waar hij ook het conservatorium doorliep. Zijn eerste symfonie uit 1895 flopte gigantisch tijdens de première. Niet omdat het zo'n slecht stuk was, maar omdat dirigent Glazoenov dronken voor het orkest stond. De vernietigende recensies hadden een grote impact op Rachmaninov: hij kreeg een zenuwinzinking, werd depressief en kon geen noot meer op papier te krijgen. Na een hypnosebehandeling door dr. Nikolai Dahl vloeide prompt zijn tweede pianoconcert uit zijn pen, dat wordt beschouwd als zijn beste werk. Rachmaninov droeg het concert dan ook op aan Dahl - als ik de hypnotiseur was geweest, had ik dit ook sublimaal ingeprent...

Maar in ieder geval: zijn carri?re stond weer op de rails. Rachmaninov dirigeerde aan het beroemde Bolsjoi-theater, tourde door Europa en in 1909 ondernam hij zijn eerste reis naar Amerika, waar hij zich in 1934 definitief vestigde. Sergej was een briljant pianist en schreef veel van zijn beroemde (en uiterst complexe) pianoconcerten voor zichzelf, zodat hij de bink kon uithangen op feesten en partijen (bij wijze van spreken dan).

Ik ben echter vooral fan van Rachmaninovs symfonieën, en met name van 'The Isle of the Dead'. Dit werk uit 1909 is geïnspireerd door het gelijknamige, sfeervolle schilderij van Arnold Bocklin (hier een afbeelding), waarop dodenveerman Charon naar een desolaat en dreigend eiland dobbert. De muziek van Rachmaninov past wonderwel bij het schilderij; je voelt het zwarte water bijna over je bootje klotsen, en naarmate je het dodeneiland nadert, zwellen de violen aan en het 'Dies Irae'-motief maakt het helemaal af. Luister zelf: 'The Isle of the Dead, opus 29' (link is zeer beperkt houdbaar).

peter Woensdag 22 Februari 2006 at 12:09 am | | klassiek | Eén reactie

WAHWAH

Dat mijn weblog wel degelijk wordt gelezen, merk ik niet alleen aan de statistieken (die een bescheiden groei laten zien), ook het aantal spamberichten is de afgelopen tijd flink toegenomen. Ik heb niets tegen spam (of het moet gaan om commentspammers die eens in de zoveel tijd als als een zwerm vraatzuchtige sprinkhanen langs komen vliegen en alles onder schijten) en zolang de hoeveelheid binnen de perken blijft en het met muziek te maken heeft, lees ik alles ook nog.

Zo ontving ik een mailtje van Anne Kramer van uitgeverij Nieuw Amsterdam, waarin het eerste nummer van het literaire muziekblad WAHWAH wordt aangekondigd. Ik schreef er een tijdje geleden al over en het 'tijdschrift in boekvorm' schijnt momenteel overal in de winkels te liggen (7,95 euro). Ik heb het nog niet gezien, maar aangezien zowel de vernieuwde Oor als het onlangs geïntroduceerde Revolver niet bijzonder weet te overtuigen, geef ik iedere nieuwkomer het voordeel van de twijfel.

Een greep uit de inhoud: gedichten van Leonard Cohen, een column van de Easy Aloha's over foute muziek, een portret van Willem van Kooten en artikelen over zangeres Perla Batalla, Joe South, gangsta-rappers achter de tralies en de opkomst en ondergang van Johnny Rotten & de Sex Pistols. Bij het blad zit bovendien een cd'tje met tracks van onder andere Easy Aloha?s, Zuco 103, Roos, Phantom Frank, Joe Ambrosia en New Cool Collective. Meer informatie op deze pagina. Nu alleen nog WAHWAH in een winkel zien te vinden...

peter Dinsdag 21 Februari 2006 at 9:34 pm | | interessant | Geen reacties

Hugo Montenegro

Nu zou je als componist met de nek worden aangekeken, maar in de jaren zestig was het de normaalste zaak ter wereld om jezelf toe te leggen op andermans composities. En dat is precies wat Hugo Montenegro (1925-1981) heeft gedaan. De reden waarom hij niet in de vergetelheid is geraakt, zoals het merendeel van zijn tijdgenoten, is dat Montenegro de covers naar zijn hand wist te zetten door regelmatig een onverwacht scheutje funk of rock toe te voegen.

Montenegro werd geboren in 1925 en na zijn diensttijd in de Amerikaanse marine studeerde hij compositieleer in Manhattan. Montenegro was actief in diverse schoolorkesten en werd opgemerkt door André Kostelanetz, een hoge pief bij Columbia Records, die hem een baan aanbod als arrangeur en orkestleider. Montenegro werkte samen met onder andere Harry Belafonte en midden jaren vijftig bracht hij zijn eerste solo-albums uit, gevuld met easy listening-covers en eigen composities. Eind jaren zestig begon hij met het schrijven van filmmuziek. Zijn grote doorbraak kwam met een opmerkelijke versie van Ennio Morricone's 'The Good, the Bad and the Ugly', dat door Montenegro grondig was verbouwd. Hij bouwde voort op zijn succes door een aantal goed verkopende albums met bekende filmdeuntjes uit te brengen.

Zijn populariteit stelde hem in staat om zijn eigen gang te gaan en in 1969 maakte hij daar grondig misbruik van op zijn album 'Moog Power' (inclusief een prachtige hoes!), waarop in die tijd bekende hits werden overgoten met een futuristisch synthesizersausje. Montenegro wist zich grotendeels in te houden; de songs blijven herkenbaar (dus met zang), hoewel het soms wel wat manisch klinkt, zoals in de medley 'Hair/Aquarius' en het met psychedelische filters overladen 'Dizzy'. Zijn eigen compositie 'Moog Power' is overigens bijzonder funky. Vanzelfsprekend is dit album alleen bij de betere lommerd op de kop te tikken, of via het onvolprezen internet natuurlijk. Meer info op Space Age Pop.

peter Maandag 20 Februari 2006 at 11:54 pm | | weird | Geen reacties

The Delhi Sweet

De Amsterdamse groep The Delhi Sweet stuurde me onlangs een mailtje: of ik misschien wat aandacht wilde besteden aan hun onlangs in eigen beheer uitgebrachte ep 'Painted Halls'. Nu ben ik ook de beroerdste niet en bovendien had de band de moeite genomen om speciaal voor 'de schrijvende pers' de vijf tracks van hun ep online te zetten. Jammer alleen dat er kennelijk iets is misgegaan, want alleen 'Blueberry Pie' is online te vinden. In hun bio valt te lezen dat The Delhi Sweet nu zo'n vier jaar bestaat en ''inmiddels een opvallend eigen stijl hebben ontwikkeld die het midden houdt tussen ruige rock en volle romantiek. De vijf ongeschoren jongelui in sexy bloesjes kunnen een stevig potje rocken maar gaan gevoelige nummers niet uit de weg.''

Klinkt goed. Ik schoof 'Blueberry Pie' in mijn muziekspeler en zette me schrap. Het nummer begint rustig met wat gitaarakkoorden en orgelklanken. Als na ruim een minuut Maarten van der Kamp begint te zingen, val ik, onder het roepen van een luid 'whaaaaaa', van mijn stoel. Van der Kamp zingt hoog, met overslaande stem, en kan dit eigenlijk niet aan. In de beste Coldplay-traditie wordt een jammerende zeehond geïmiteerd die door zijn moeder in de steek is gelaten. Op 4:35 barst een gitaarsolo los van Chris Kok, en krijgt het nummer een behoorlijke psychedelische Pink Floyd-injectie - dat weerhoudt Van der Kamp er echter niet van om vrolijk door te gaan met zijn gierende uithalen. Geef die jongen eens een zakdoek! Misschien klinkt de rest van de ep wel heel anders (denk het niet, om eerlijk te zijn), maar afgaande op dit nummer is The Delhi Sweet niet aan mij besteed.

Liefhebbers van Radiohead en Coldplay moeten 'Blueberry Pie' (rechtsklikken en Save target as...) maar eens een kans geven. Ik vrees overigens dat ik na deze entry geen post meer mag verwachten van The Delhi Sweet...

peter Zondag 19 Februari 2006 at 9:45 pm | | overig | Vier reacties

Renaissance

Ik had nog nooit van de Engelse groep Renaissance gehoord, en tijdens het luisteren naar 'Novella' zocht ik wat informatie op. Renaissance wordt geplaatst in het hokje progressieve folk/rock en volgens kenners is 'Novella' een van de minst geslaagde albums uit hun oeuvre. Het is maar goed dat ik geen muziekcriticus ben, want ik vind het een prachtig en tijdloos album - ik was een beetje in huis aan het rommelen, maar tijdens de bijna een kwartier durende epische openingstrack 'Can You Hear Me', vol tempowisselingen, ben ik even goed gaan zitten om naar de muziek te luisteren.

Renaissance maakt prachtige, sfeervol georchestreerde liedjes, met elementen uit de klassieke muziek (de groep heeft een zwak voor de grote Russische componisten), jazz en folk. Zangeres Annie Haslam beschikt over een hoge, kristalheldere stem en trekt alle nummers moeiteloos naar zich toe. 'Novella' stamt al uit 1977, maar komt nergens gedateerd of oubollig over; de sprookjesachtige sfeer die wordt opgeroepen, heeft wel wat weg van de muziek van Kate Bush, hoewel zij zich nooit heeft gewaagd aan lang uitgesponnen en complexe suites. Enthousiast geworden begon ik aan mijn speurtocht naar meer muziek en informatie.

De geschiedenis van de groep is nogal verwarrend. Renaissance werd in 1969 opgericht door de voormalige Yarbirds-leden Keith Relf en Jim McCarty en maakte aanvankelijk nogal brave folk-achtige popliedjes. De grote doorbraak bleef uit en begin 1971 vonden Relf en McCarty het welletjes.

Lees meer »

peter Zondag 19 Februari 2006 at 6:44 pm | | interessant | Twee reacties

Yellow Magic Orchestra

Kraftwerk is ontegenzeggelijk de belangrijkste elektronische groep uit de muziekgeschiedenis. Op eerbiedwaardige afstand van deze Duitse pioniers volgt het Japanse Yellow Magic Orchestra (YMO). Terwijl Kraftwerk overkwam als een onverzettelijke berg van stoïcisme, viel YMO op dankzij hun uptempo en humoristische electro-pop.

De groep werd in 1978 opgericht door Ryuichi Sakamoto (die eigenlijk bezig was met zijn eerste solo-album), Yukihiro Takahashi en Haruomi Hosono. De twee laatstgenoemden hadden hun sporen in de Japanse popmuziek al ruimschoots verdiend; drummer Takahashi timmerde solo aan de weg en maakte deel uit van de avant-gardistische rockgroep Sadistic Mika Band, terwijl bassist Hosono bekend was als producer en al vier albums had uitgebracht.

In 1978 verscheen het debuut 'Yellow Magic Orchestra', dat gevuld was met springerige (en bij vlagen wat rammelende) elektronica, energiek drumwerk en vooral een heleboel futuristische bliepjes ontleend aan computerspelletjes. Opvolger 'Solid State Survivor' (1979) was een grote stap voorwaarts. De groep zong in het Engels (de Beatles-cover 'Day Tripper' is hilarisch) en het speelplezier spatte van de acht tracks af. 'Xoo Multiplies' (1980) was dan weer een tegenvaller; op het album worden humoristisch bedoelde intermezzo's en jingles afgewisseld met typische YMO-nummers (waaronder twee verschillende covers van 'Tighten Up' van Archie Bell & the Drells).

Met 'BGM' (oftewel 'Background Music') en vooral 'Technodelic' (beide verschenen in 1980) sloeg YMO aan het experimenteren en werd de basis gelegd voor latere genres als intelligent techno en minimal house. Twee jaar later ontpopte YMO zich met 'Naughty Boys' (1983) tot de ultieme Japanse popgroep. Het album bevatte voor het merendeel Japanstalige popliedjes (waaronder het prachtige 'Kimi Ni Mune Kyun'), waarmee YMO een compleet nieuwe doelgroep aanboorde – lees: gillende Japanse schoolmeisjes. Op het hoogtepunt van hun roem besloten Sakamoto,Takahashi en Hosono de handdoek in de ring te gooien en zich te richten op een solocarrière. Met name Ryuichi Sakamoto was (en is) uitermate succesvol en onder meer verantwoordelijk voor de soundtracks van 'Merry Christmas Mr. Lawrence' (met de hit 'Forbidden Colours') en het met een Academy Award bekroonde 'The Last Emperor'. In 1993 vond, tot grote vreugde van de fans, een eenmalige YMO-reünie plaats, en verscheen het comeback-album 'Technodon'.

Goed, genoeg geleuterd. Luister naar 'Behind the Mask' (link is beperkt houdbaar), afkomstig van 'Solid State Survivor' uit 1979. De echte fans doe ik veeleer een plezier met de bootleg 'Live in Rotterdam, 21 oktober 1980' (via Rapidshare: deel 1 en deel 2). De geluidskwaliteit is niet al te best en de vocalen komen nauwelijks boven de muziek uit, maar de concertregistratie laat wel horen hoe innovatief YMO bezig was begin jaren tachtig.

peter Zaterdag 18 Februari 2006 at 2:10 pm | | flashback | Zes reacties

Histoire d'O

In 1954 veroorzaakte de Franse schrijfster Pauline Réage een schandaal met 'Histoire d'O'. In deze roman beschrijft Réage de lotgevallen van de jonge en succesvolle fotografe O, die door haar vriend René wordt geïntroduceerd in de wereld van het sadomasochisme. Aanvankelijk heeft ze zo haar twijfels, maar ze krijgt de smaak al snel te pakken. Als ze ene sir Stephan ontmoet, gaat op een zekere manier haar droom in vervulling en ondergaat ze alle mogelijke vernederingen die je maar kunt bedenken.

Pas in 1998 werd bekend dat Pauline Réage een pseudoniem was van de schrijfster Dominique Aury, dat weer een pseudoniem was van Anne Declos, jarenlang de maitresse van de Franse literator Jean Paulhan. Meer informatie over de roman vind je bij Het Parool, dat 'Histoire d'O' enige tijd geleden uitgaf in zijn serie 'Verboden boeken'. In 1975 zag de eerste verfilming het licht door regisseur Just Jaeckin en met Corinne Cléry (bekend van haar rol in Moonraker) als O. De muziek werd verzorgd door Pierre Bachelet (1944-2005), een bekende Franse regisseur, componist en zanger, die tevens meewerkte (muzikaal dan) aan de diverse Emanuelle-films.

Ruim dertig jaar na dato zorgt de 'Histoire d'O'-soundtrack nog steeds voor een wazige softfocus-glans; de 14 tracks houden het midden tussen relaxte instrumentaaltjes (met af en toe wat ijl gemurmel van een zangeres) en lichtelijk overspannen jaren zeventig-filmmuziek. Het blijft allemaal onschuldig; opgewonden gehijg of het kletsen van een zweep blijft achterwege. Vreemde eend in de bijt is het hysterische rocknummer 'She's a lady' - ik kan me niet meer voor de geest halen of deze track ook daadwerkelijk de film heeft gehaald.

Download de soundtrack via Rapidshare. Het gaat om een vinyl-rip (zo'n 30 MB), dus inclusief authentiek en sfeerverhogend gekraak en geknetter. (Met dank aan muzieklog Lellebelle.)

peter Vrijdag 17 Februari 2006 at 11:42 pm | | interessant | Geen reacties

Casanova

Fans van Heath Ledger worden momenteel op hun wenken bediend; de blonde acteur is zowel te bewonderen als stugge homoseksuele cowboy (in Brokeback Mountain) als de flamboyante vrouwenversierder Casanova in het gelijknamige kostuumdrama. Hoewel beide films totaal niet met elkaar te vergelijken zijn, hebben ze één ding gemeen: ik heb weinig behoefte om ze te gaan zien en luister liever naar de muziek...

Casanova speelt zich af in het midden van de achttiende eeuw en het is dan ook niet verbazingwekkend dat de soundtrack is volgestouwd met vrolijke Barok-deuntjes van bekende (Albinoni, Corelli, Vivaldi, H?ndel) en minder bekende (Rameau, Roman, Durante) namen, rimpelloos uitgevoerd door de Hollywood Studio Symphony. De Franse filmcomponist Alexandre Desplat heeft twee nummers bijgedragen en arrangeur Sonny Kompanek ééntje. Hun tracks klinken iets moderner en filmmuziekeriger, maar misstaan niet. De barokmuziek op 'Casanova' is luchtig en dartel en glijdt als een wulps kirrend bosnimfje je oren binnen.

Grootste probleem is echter dat 26 tracks in zo'n 40 minuten de revue passeren en dat is proppen geblazen. Het merendeel bestaat dan ook uit korte fragmenten (sommige van slechts een tiental seconden), die schreeuwen om meer. Alsof je een rockverzamelaar samenstelt en alleen de gitaarsolo's opneemt - leuk voor een handvol nummers, maar na verloop van tijd snak je naar ook maar iets van spanningsopbouw. De 'Casanova'-soundtrack is leuk voor wie op zoek is naar wat namen in het genre, meer ook niet.

peter Donderdag 16 Februari 2006 at 10:30 pm | | review | Twee reacties

Nikolai Rimski-Korsakov

De Russische componist Nikolai Rimski-Korsakov (1844-1908) had twee grote liefdes: de muziek en de zee. Aanvankelijk leek de muziek het te winnen, maar zijn ouders staken hier een stokje voor en zagen een hele andere loopbaan voor hun zoon weggelegd: die van eerbare marine-officier. Rimski-Korsakov studeerde aan de Keizerlijke Marineschool in Sint-Petersburg en koos daarna het ruime sop. Tijdens een wereldreis raakte Rimski-Korsakov bevriend met componist Mili Balakirev (1837-1910), die kennelijk op dezelfde boot zat. Balakirev maakte zich sterk voor nationalistisch getinte Russische muziek en verzamelde jonge componisten om zich heen om dit uit te dragen. Deze groep (die naast Balakirev en Rimski-Korsakov bestond uit César Cui, Alexander Borodin en Modest Moussorgsky) noemde zich 'Mogoetsjaja koetsjka', oftewel: 'het Machtige Hoopje' (serieus! ik verzin dit niet).

Opvallend is dat van deze groep alleen Balakirev een professioneel musicus was; de overige leden componeerden er zo'n beetje bij als hobby. Rimski-Korsakov rommelde wat met een cello, en militair Moussorgsky had zichzelf leren spelen op de piano. Na 22 jaar te hebben rondgedobberd, werd Nikolai leraar compositie en instrumentatie aan het conservatorium van Sint-Petersburg. Waarschijnlijk te danken aan goede connecties, want veel ervaring had hij niet. Nikolai loste dit op door zijn leerlingen (onder wie Sergei Prokofjec en Igor Stravinski) steeds één stap voor te blijven en 's avonds in de studieboeken te duiken en op deze manier zijn kennis uit te breiden.

Het bekendste werk van Rimski-Korsakov is de symfonische suite 'Sheherazade', het verhaal over de aan seks verslaafde sultan die de onhebbelijke gewoonte had om zijn vrouwen na de huwelijksnacht te onthoofden. Eén vrouw wist echter aan haar lot te ontkomen door de sultan elke avond een spannend verhaal te vertellen, en dit zo lang te rekken dat hij uiteindelijk dacht 'laat maar'. Rimski-Korsakov staat verder bekend als de helpende hand van Modest Moussorgsky, die vaak de grootste moeite had om zijn composities te voltooien – het feit dat Moussorgsky wel van een glaasje wodka hield, zal daar ongetwijfeld mee te maken gehad. Rimski-Korsakov nam zijn stukken onder handen, schrapte de ergste dingen en liet zijn vriend er goede sier mee maken. Een beroemd voorbeeld is 'Een nacht op de kale berg', dat door Nikolai volledig is herschreven. Rimski-Korsakov stierf op 21 juni 1908 aan de gevolgen van acute angina pectoris.

Muziek van deze Russische componist is niet zo heel moeilijk te vinden. Bij drogisterijketen Het Kruidvat (op deze pagina een compleet overzicht) vind je bijvoorbeeld de cd-box 'Orchestral Works' voor een uitermate zacht prijsje (vijf euro, geloof ik). Zijn muziek ligt lekker in het gehoor, is niet bijzonder complex en bij vlagen ongegeneerd luidruchtig. Dus als je toch shampoo en gel nodig hebt, pak deze box gerust mee...

peter Donderdag 16 Februari 2006 at 12:44 am | | klassiek | Geen reacties

Walk the Line Soundtrack

In 'Walk the Line' (over het leven van Johnny Cash, zie onder) zingen Joaquin Phoenix en Reese Witherspoon zelf - en doen dat opmerkelijk goed. Het is dan ook geen verrassing dat de gelijknamige soundtrack niet bestaat uit een collectie Cash-songs, maar uit Cash-covers door Phoenix en Witherspoon. Producer T-Bone Burnett (die eerder naam maakte met de soundtracks voor 'O Brother, Where Art Thou?' en 'Cold Mountain') heeft gekozen voor een uitgeklede aanpak; de songs zijn sober gearrangeerd en blijven dicht bij het origineel. Wat wil je ook, als je de hulp inroept van onder andere Jack Clement, Peter Case en Norman Blake, die al in de jaren vijftig met Cash in de studio bivakkeerden.

Het verschil zit 'm in de kleine dingen: zo zijn in 'Ring of Fire' geen schetterende trompetjes te horen (let overigens op het prachtige outro van bijna een minuut) en is er af en toe een gitaarsolootje bij gesmokkeld. Jammer genoeg vallen de overige acteurs op het album, met name Tyler Hilton (Elvis Presley) en vooral Waylon Malloy Payne (Jerry Lee Lewis), uit de toon; het klinkt iets te modern en geforceerd en hun covers weten (in tegenstelling tot die van Phoenix en Witherspoon) niet te overtuigen.

De 'Walk the Line'-soundtrack is dus leuk voor wie al het nodige van Cash in de kast heeft staan en benieuwd is hoe de acteurs het ervan af brengen. Als je echter op zoek bent naar een geschikte kennismaking met de man in black, doe je er beter aan de eind vorig jaar verschenen compilatie 'The Legend of Johnny Cash' in huis te halen.

peter Woensdag 15 Februari 2006 at 12:58 am | | review | Eén reactie

Rampjaar

Op Nu.nl las ik zojuist dat het afgelopen jaar door de Nederlandse muziekindustrie als een regelrecht rampjaar wordt bestempeld: het aantal verkochte cd-albums is in 2005 met 13 procent gedaald. In totaal gingen er 266,8 miljoen cd's over te toonbank ? een diepterecord. Ook de dvd-sector (tot voor kort een uitstekende melkkoe) heeft zware klappen gekregen: het aantal verkochte dvd's liep terug van 338 miljoen tot 325 miljoen. Aan mij ligt het overigens niet. Ik koop me helemaal suf aan cd's.

De beschuldigende vinger wijst naar de massaal downloadende consument. Volgens de Nederlandse Vereniging voor Filmverhuurders zijn in Nederland vorig jaar 150 miljoen films illegaal gedownload, wat verregaande gevolgen zou hebben gehad voor het bioscoopbezoek en het aanschaffen dan wel huren van dvd's. De NVPI (de Nederlandse Vereniging van Producenten en Importeurs van beeld- en geluidsdragers) hoopt dan ook het illegale aanbod strenger wordt bestreden. Ik neem aan dat er inderdaad flink wordt gedownload, maar ik vraag me af waar dat getal van '150 miljoen' nu precies vandaan komt.

Verder denk ik dat de bereidheid van consumenten om diep in de buidel te tasten voor een cd is afgenomen en speelt de concurrentie van andere entertainmentsectoren ongetwijfeld eveneens een rol. Ik ga me nu niet druk maken over, de in mijn ogen, exorbitant hoge prijs van cd's (dat heb ik al eens eerder gedaan).

Feit is wel dat de cd zijn langste tijd gehad heeft. Want waar dit nieuwsartikel niet over rept, is de toename van de legale muziekdownloads. Zo werd er in het eerste half jaar van 2005 wereldwijd voor bijna 800 miljoen dollar aan digitale muziek aangeschaft - drie keer zoveel als in dezelfde periode vorig jaar. Cijfers voor het tweede half jaar heb ik niet voorhanden, maar ik neem aan dat deze tendens niet plotseling is omgebogen. De toekomst is digitaal, en ik wil maar wat graag massaal aan het downloaden slaan. In plaats van krampachtig te blijven vasthouden aan een glimmend schijfje en de jacht te openen op illegale downloaders, doen de grote labels er beter aan om zich te richten op een goed en goedkoop legaal alternatief èn een uniform muziekformaat.

Momenteel ben ik bezig met een nogal pijnlijke spagaat: de markt voor online marktdiensten is momenteel te versnipperd en te afhankelijk van de gebruikte muziekspeler om me over de streep te trekken en de brug naar de fysieke platenwinkels definitief achter me te verbranden.

peter Dinsdag 14 Februari 2006 at 6:30 pm | | overpeinzing | Twee reacties

James Last-overpeinzing

"Af en toe snap ik niets van je muzieksmaak", verzuchtte vriendin Eva toen ik enthousiast kwam aanhollen met 'James Last in Holland, deel 2', opgespoord in de Grammophoonwinkel (Oudegracht 26 te Utrecht). Waarschijnlijk zette ze zich schrap voor een hele avond meewiegen op zoete wijsjes (wat ook gebeurde, maar dit terzijde). Over James Last en het eerste deel van zijn Hollandse potpourri schreef ik al eerder, en het tweede deel uit 1990 is zo mogelijk nog tenenkrommender – en tegelijk onweerstaanbaar.

In Nederland kennen we een bescheiden easy listening-traditie; Berdien Stenberg, André Rieu en de Gebroeders Brouwer zijn de eerste namen die me zo even te binnen schieten. De albums van bijvoorbeeld Bert Kaempfert en Paul Mauriat waren ook hier populair, maar dat kwam met name door de totale niets-aan-de-hand orchestratie en de vrolijke deuntjes. Kenmerk van easy listening is dat nummers die iedereen kent door de mangel worden gehaald en rimpelloos en zonder ook maar enig scherp randje worden gepresenteerd. De bewerkingen van bekende Amerikaanse of Duitse liedjes hebben lang niet zoveel impact: ze missen de verankering in ons collectieve muzikale bewustzijn en veranderen snel in curiosa. En juist daarom vind ik 'James Last in Holland' zo leuk.

De albums zorgen voor een authentieke easy listening-beleving, waarbij Last moeiteloos switcht tussen het heden en verleden (zo wordt 'Als de klok van Arnemuiden' afgewisseld met 'Alles kan een mens gelukkig maken'), en al na enkele seconden zit je vrolijk mee te zingen. Althans, ik zit vrolijk mee te blèren. De 'In Holland'-serie van James Last was erg succesvol, want er is zelfs een derde deel verschenen (met onder meer de medley 'Thema uit Medisch Centrum West - Goede Tijden, Slechte Tijden'). Ik ga hard op zoek. Luister ter kennismaking naar 'Niemand laat zijn eigen kind alleen - De clown' (link is beperkt houdbaar).

peter Maandag 13 Februari 2006 at 2:02 pm | | overpeinzing | Drie reacties

Walk the Line

De film 'Walk the Line' van regisseur James Mangold vertelt het levensverhaal van de in 2003 overleden countrylegende Johnny Cash, de onnavolgbare man in black. Het is een bijzonder aardige film, ruwweg te verdelen in twee?n: de eerste helft gaat dieper in op de jeugd van Cash en het begin van zijn carrière, zodra zijn grote liefde June Carter in beeld komt, verschuift het accent meer richting relationele en drugs gerelateerde problemen. Uiteindelijk komt alles weer goed en stapte ik met een tevreden gevoel de bioscoop uit. Hoofdrolspelers Joaquin Phoenix (Johnny Cash) en Reese Witherspoon (June Carter) zijn meer dan overtuigend en zingen bovendien alles zelf.

Hoewel alle hoogte- en dieptepunten uit het leven van Cash de revue passeren, staan vooral alle problemen centraal. Ik had Cash graag bezig gezien in de studio, tijdens het schrijven van nieuwe songs, aan het repeteren met zijn band ? dat soort werk. Er komen wel de nodige illustere muzikale helden voorbij schuiven (onder wie Elvis Presley, Jerry Lee Lewis, Waylon Jennings en Sun Records-oprichter Sam Philips), maar dit zijn slechts bordkartonnen figuren, pastelstreken op de achtergrond. Zelfs Cashs vaste begeleiders (gitarist Luther Perkins en bassist Marshall Grant) komen er maar bekaaid vanaf, om nog maar te zwijgen over zijn eerste vrouw Vivian. De scènes in Folsom Prison en de auditie bij Sam Philips zijn dan weer briljant.

'Walk the Line' is een meeslepende film, en het feit dat het nergens verzandt in melodramatische snotterigheid, is puur te danken aan Phoenix en Witherspoon. Aanrader! Ook als je niet bijster bekend met Johnny Cash, overigens.

peter Maandag 13 Februari 2006 at 01:11 am | | film | Twee reacties

Venom

Het Engelse Venom gaat niet de muziekgeschiedenis in dankzij hun doorwrochte composities of ingenieuze songteksten - de groep deed het simpelweg anders op het juiste moment. Venom werd eind jaren zeventig opgericht in Newcastle en ging aanvankelijk door het leven als Oberon. De naam werd al snel veranderd in Venom. Zanger/bassist Conrad 'Cronos' Lant, gitarist Jeff 'Mantas' Dunn en drummer Tony 'Abaddon' Bray combineerden de rauwe rock van met name Motorhead met de visuele aantrekkingskracht van Kiss en de logge, onheilspellende klanken en duistere songteksten van Black Sabbath.

In 1981 zag hun debuut 'Welcome to Hell' het licht, dat klonk zoals een metal-album nog nooit had geklonken. De groep leek wel totaal onvoorbereid een studio te zijn ingeslingerd, zo van: daar staan de instrumenten en in de hoek een krat bier, maak maar even een ommetje over het kerhof om inspiratie om te doen; morgen moet alles klaar zijn. De 13 tracks rammelen aan alle kanten; drummer Abadonnen lijkt wel op kartonnen dozen te meppen, Cronos is kennelijk zijn keelpastilles vergeten mee te nemen, gitarist Mantas heeft vooral haast en de teksten over satanisme en uiteenlopende macabere zaken zijn behoorlijk over de top en werken vooral op de lachspieren (of je moet 15 zijn en je ouders de stuipen of het lijf willen jagen). Maar toch: 'Welcome to Hell' wist juist dankzij de primitieve sound en het enthousiasme te overtuigen.

Lees meer »

peter Zaterdag 11 Februari 2006 at 8:11 pm | | flashback | Eén reactie

Jim Jones

Aanvankelijk was er niet zoveel mis met People's Temple. De beweging, opgericht in de jaren vijftig door dominee Jim Jones, bekommerde zich om arme burgers, minderheden, drugsverslaafden en daklozen en probeerde hen zoveel mogelijk te helpen. Dankzij hun liberale en progressieve denkbeelden trok de People's Temple veel nieuwe leden aan en iedereen leefde nog lang en gelukkig. Althans, dat was het beeld dat Jim Jones naar buiten bracht.

Er doken namelijk steeds vaker hardnekkige geruchten op dat de dominee behoorlijk in de war was. Zo zou Jones denken dat hij de Messias was en met iedereen (jong en oud, man en vrouw) het bed induiken. Verder was hij verzot op het hardhandig straffen van zijn volgelingen en hield hij er nogal bizarre rituelen op na. Om aan alle geruchten te ontsnappen, trokken de dominee en zijn ruim 800 volgelingen begin 1974 naar Guyana, waar ze een eigen leefgemeenschap op poten zetten: Jonestown. En hier begonnen de zaken behoorlijk uit de hand te lopen.

Een ongeruste Leo Ryan, Amerikaans congreslid, kwam in november 1978 met enkele journalisten polshoogte nemen. Aangekomen in Jonestown leek er niets aan de hand: iedereen was vrolijk, zong liedjes en 's avonds werd er gezellig gebarbecued. De avond voor zijn vertrek, kreeg Ryan echter stiekem briefjes in handen gedrukt van volgelingen die hem smeekten hen te bevrijden uit deze 'hel op aarde' en gedetailleerd beschreven welke gruwelijkheden er plaatsvonden.

Lees meer »

peter Donderdag 09 Februari 2006 at 10:19 pm | | weird | Eén reactie

Dutch Bloggies 2006

Op 11 maart 2006 vindt in het Museum voor Communicatie in Den Haag de jaarlijkse uitreiking plaats van de Dutch Bloggies, prijzen voor de beste Nederlandstalige weblogs. Om de spanning alvast op te voeren zijn vandaag (woensdag 8 februari) de veertien genomineerden in de diverse categorieën bekendgemaakt - 174 weblogs in totaal. Natuurlijk scrollde ik direct naar beneden om te kijken of Araglin.nl het ook dit jaar tot de nominatieronde in de categorie Beste Muzieklog had geschopt, en inderdaad! Iedereen bedankt die mij heeft genomineerd!

Opmerkelijk is de grote verschuiving die zich heeft voorgedaan onder de muzieklogs. Van de genomineerden van vorig jaar zijn er slechts drie over (Condens, File Under en ondergetekende) en de top drie van 2005 is bijkans helemaal verdwenen, alleen File Under timmert nog onverdroten aan de weg, Retecool/luister, de winnaar van vorig jaar, verkeert al enige tijd in een comateuze toestand. De 15 muzieklogs die dit jaar strijden om een Dutch Bloggie (lees: de eeuwige roem) zijn nauwelijks met elkaar te vergelijken (wat het er alleen maar leuker op maakt) en ik heb gelijk maar van de gelegenheid gebruikgemaakt om mijn linklijst aan te passen.

Een deskundige jury buigt zich momenteel over de genomineerden en maakt (voor zover ik kon nagaan) op 11 maart de winnaars bekend in veertien categorieën. Het publiek heeft de beslissende stem in drie categorieën (Muscom Best Weblog Award, Best Geschreven Weblog en Beste Vormgeving).

peter Woensdag 08 Februari 2006 at 9:57 pm | | overig | Drie reacties

Johannes R. Köhler

In een schemerig hoekje van The Music Store stond een bak met aanbiedingen. Goed nieuws, want als grote muziekwinkels aan het stunten slaan, gaat het vaak om cd's die ze aan de straatstenen niet kwijt kunnen. Een morsige jongeman was met worstenvingertjes door de bak aan het roeren en ik wachtte netjes mijn beurt af. Het aanbod was jammer genoeg niet al te best: matige dance-verzamelaars, piratenartiesten en albums van alweer vergeten Idols-deelnemers. Ik had de moed al bijna opgegeven, toen ik op 'Seeletau' (uit 1995) van Johannes R. Köhler stuitte, klaarblijkelijk het zesde deel in zijn 'Musik zum Streicheln'-serie. Ik had nog nooit van hem gehoord, maar het hoesje zag er alleraardigst uit (een stemmige condoleance-achtige foto van een of andere bloeiende plant) en de toevoeging ''mit den Münchener Symphonikern' beloofde veel goeds.

Köhler bleek tot mijn grote verrassing authentieke easy listening te maken: rustig voortkabbelende deuntjes, met heel veel violen. Dankzij instrumenten als panfluit en mondharmonica zijn echo's van met name Gheorghe Zamfir en Toots Thielemans nooit ver weg en de twaalf tracks op 'Seeletau' (met welluidende titels als 'Nimm mich bei der Hand', 'Komm mit auf den Regenbogen' en 'So lieb, so zart') stromen als een lieflijk bergbeekje de speakers uit. Of: - anders verwoord - je gaat spontaan op zoek naar de menukaart en bestelt alvast een mandje met stokbrood als voorafje. In tegenstelling tot de meeste van zijn genre-genoten brengt Köhler geen covers, maar zijn eigen mierzoete en uiterst voorspelbare composities ten gehore.

Köhler begon zich pas op zijn veertigste serieus voor muziek te interesseren; hij schreef zich in aan de Hogeschool voor Muziek in Würzburg, en rondde na zijn zes jaar zijn studie af. Na de dood van zijn hond Amélie (ik verzin dit niet), sloeg hij aan het componeren en werden de wortels gelegd van zijn 'Musik zum Streicheln'-serie. Volgens Köhler beschikt zijn muziek over helende krachten: "Sie ist wie eine musikalische Seelensprache und erschließt dem Hörer eine völlig neue Empfindungswelt, die ihm seine Seele öffnet. Besonders erfolgreich wird sie in vielen Bereichen medizinisch-therapeutisch eingesetzt und sie ist wie eine "klingende Medizin" für die Seele." Nu valt dit allemaal wel mee, en maak je vooral een bus bejaarden ontzettend blij met zijn muziek. Opvallend is dat de opbrengst van elk album volledig is bestemd voor een goed doel. Köhler heeft al duizenden euro's bij elkaar gespeeld en kreeg onder andere van voormalig bondspresident Richard von Weizsäcker een 'Bondesverdienstkreuz' opgespeld en ook UNICEF en het Rode Kruis hebben de componist meerdere malen van eremetaal voorzien. Zelfs Bill Clinton, Helmut Kohl en Michail Gorbatschow schijnen hem een bedankbriefje te hebben gestuurd.

Ik heb geen flauw idee hoe populair Köhler daadwerkelijk is in Duitsland, of hij nog steeds muziek maakt en hoe hij in zijn levensonderhoud voorziet als hij al zijn cd-opbrengsten weggeeft – op internet is (afgezien van deze site) verdacht weinig informatie te vinden. Ik duik er nog eens wat dieper in... Luister intussen naar 'Mit dir bin ich immer jung' om eens kennis te maken – let op: deze track kan plaatsvervangende schaamte veroorzaken. Je moet, zoals wel vaker bij dit soort muziek, even een grens door en jezelf toestaan om gewoon ontspannen mee te wiegen - als je de gordijnen sluit, ziet niemand je.

Mocht je overigens het mailadres van Köhler op het spoor komen, stuur hem gerust een berichtje. Regelmatig ontvangt hij brieven van fans (zo lees ik in het cd-boekje) die hem bedanken voor de manier waarop zijn muziek "dem Schönen wieder Raum in meinem Herzen gibt". Het boekje besluit met: "Johannes R. Köhler ist glücklich wenn er solche Briefe liest."

peter Maandag 06 Februari 2006 at 11:18 pm | | interessant | Eén reactie

Nynke Laverman (door: Eva)

De vrouw pakt me bij mijn arm en kijkt me bewonderend aan. 'Mag ik een handtekening van je? Wat heb je prachtig gezongen!' Ik glimlach en wijs naar de echte Nynke die een eindje verderop staat. Mocht ik ooit mislukken in mijn loopbaan, dan kan ik altijd nog als look-a-like door het leven - hoewel ik minstens een halve meter langer en breder ben... Prachtig gezongen heeft ze zeker, afgelopen zaterdag in het Amsterdamse Rozentheater. Nynke Laverman, het Friese fadofenomeen. In 2003 kwam haar debuut-cd 'Sielesalt' uit, waarop ze in het Fries vertaalde teksten van Slauerhoff combineert met de melancholische Portugese fadomuziek. Een originele en bijzondere combinatie. Het leverde haar echter wel het predikaat met de drie FFF-en op. Maar Nynke is niet van plan om voort te borduren op haar fado-succesnummer.

In haar nieuwe programma 'De Maisfrou' staat ook Argentijnse en Mexicaanse muziek op het menu. De Maisfrou is in feite de oude wijze vrouw van de Azteken, een archetype uit de Indianenmythologie. Zij is de vrouw die alles al doorstaan heeft, een voorbeeld voor de jonge generatie. Met prachtige liedjes, van heel ingetogen en kwetsbaar tot uitbundig en hartstochtelijk, bezingt Nynke Laverman het leven van de Maisfrou. Deze verhaallijn, de theaterachtergrond van Nynke en de uitstekende muzikanten met hun authentieke en bijzondere instrumenten maken van dit programma zoveel meer dan alleen een concert. Nynke weet de bezieling en het 'langstme' (verlangen) zo goed over te brengen dat ik hier en daar wel een traantje moest wegpinken...

Tot eind mei tourt Nynke langs de Nederlandse theaters; zie haar website voor meer informatie.

peter Zondag 05 Februari 2006 at 1:48 pm | | concerten | Twee reacties

Joe Meek

Vanaf eind jaren vijftig tot jaren midden jaren zestig ontpopte de Engelse producer Joe Meek (1929-1967) zich tot een ware geluidsmagiër, met de kracht om sterren te maken én te breken. Meek was dol op een uiterst gecomprimeerde sound, met versnelde vocalen, violen en koren op de achtergrond, spookachtige echo's en buitenissige geluidseffecten. Hij werkte niet vanuit een dure, moderne studio, maar vanuit zijn eigen kleine huurwoning boven een winkel. Meek maakte naam als een van de eerste onafhankelijke rockproducers en verkocht zijn composities aan diverse grote labels, die voor de distributie en promotie zorgden. De Engelsman was onder meer verantwoordelijk voor de wereldhit 'Telstar' van de Tornados (1962), 'Have I the Right' van The Honeycombs (1964) en John Leytons 'Johnny Remember Me' (1961).

Hoewel hij een gewiekste zakenman en een briljant producer was, liet zijn smaak hem midden jaren zestig in de steek; hij vond al die jonge, opkomende Engelse beatbandjes zoals de Beatles maar niets. Daar komt bij dat Meek (altijd al een beetje vreemd) zich steeds excentrieker begon te gedragen en bijvoorbeeld dacht in telepathisch contact te staan met Buddy Holly. De producer had verder de grootste moeite om zijn homoseksualiteit (een groot taboe in die tijd) voor de buitenwereld verborgen te houden. Zo bekende John Leyton jaren later het altijd al vreemd te hebben gevonden zo gepassioneerd te moeten zingen over ene Johnny.

Lees meer »

peter Zaterdag 04 Februari 2006 at 11:50 am | | weird | Vier reacties

Bedrich Smetana

Vanuit muzikaal oogpunt bezien is de tweede helft van de negentiende eeuw razend interessant en met één woord te omschrijven: nationalisme. Bohemen (het huidige Tsjechië) zuchtte onder het juk van een Oostenrijks-Hongaars rijk, Noorwegen werd overheerst door Zweden en Finland was onder de voet gelopen door het Russische leger. Politiek geëngageerde kunstenaars en rebellen maakten zich sterk voor de onafhankelijkheid van hun vaderland; componisten wendden zich af van de heersende conventies (lees: hun Duits-Oostenrijkse voorgangers) en experimenteerden met volksmuziek en nationale thema’s.

In Finland groeide Jean Sibelius (1865-1957) uit tot een nationale held, Noorwegen had Edvard Grieg (1843-1907) en in Bohemen streed de componist Bedrich Smetana (1824-1884) tegen de onderdrukker. Smetana sloot zich zelfs aan bij een groep rebellen en beraamde in het diepste geheim een heuse staatsgreep – die jammerlijk mislukte. Smetana vluchtte naar Zweden en belandde na enkele omzwervingen weer in Praag. Tot zijn meest aansprekende werk behoort het meeslepende 'Má vlast' ('Mijn vaderland'), een serie van zes symfonische gedichten: 'Vyšehrad', 'Vltava', 'Šárka', 'Z ceských luhu a háju', 'Tábor' en Blaník. Ieder toondicht behandelt een thema uit de Tsjechische geschiedenis of weerspiegelt de schoonheid van het landschap. Hoogtepunt wordt gevormd door het tweede deel 'Vltava' (oftewel 'de Moldau'), de grote rivier die door Tsjechië stroomt.

Lees meer »

peter Donderdag 02 Februari 2006 at 9:53 pm | | klassiek | Twee reacties

Thèta-golven

Ik laat sinds een uur of wat hele vieze windjes. Waarschijnlijk heeft dat te maken met de twee appelbeignets die ik eerder deze avond soldaat maakte, of wellicht kent de cd 'Healing' van Anugama enkele onvermoede bijwerkingen. Ik heb het album nu een tijdje opstaan en word erg rustig van die zweverige synthesizerdreun, hummende koorzang en Tibetaanse klankschalen -  misschien doen mijn darmen wel een duit in het zakje en laten ze spontaan alles lopen.

Anugama (oftewel de in Hawaii levende Duitse multi-instrumentalist Werner Hagen) maakt al sinds midden jaren tachtig rustgevende new age, en heeft tientallen albums uigebracht. 'Healing' (uit 1989) bevat twee lange tracks die tot doel hebben de luisteraar totaal te ontspannen. Achter de muziek schuilt een interessant concept (zo lees ik in het cd-boekje): Anugama heeft zogeheten thèta-golven in zijn composities gestopt. Deze geluidsgolven (op een frequentie van 4 tot 7 Herz) zouden een kalmerend effect op de menselijke hersenen hebben, en dat geloof ik graag. Zodra je eenmaal bent gekalmeerd, schakelt het brein over naar een 'thèta-vibratie', wat erop neerkomt dat je verandert in een zacht snurkend drilpuddinkje.

En nu wordt het pas echt interessant: Anugama heeft de thèta-golven geharmoniseerd met de frequenties van de planeten van ons zonnestelsel. Deze frequenties zijn ontleend aan de omloopsnelheid van de desbetreffende planeet rond de zon. Anugama heeft voor deze geluiden zijn oor ten luister gelegd bij de wiskundige Hans Cousto, die in zijn boek 'The Octave' (vertaald als 'Het Kosmisch Octaaf') beschrijft hoe deze toonverdeling samenhangt met alle natuurverschijnselen en zelfs kan zorgen voor een beter seksleven. Helaas ga ik er alleen maar vieze windjes van laten. Op Anugama's site kun je fragmenten beluisteren van 'Healing' en op deze site zijn Cousto's planetengeluiden te horen.

peter Woensdag 01 Februari 2006 at 9:50 pm | | interessant | Eén reactie