Zombies

De afgelopen weken heb ik er in een recordtempo vijf seizoenen van The Walking Dead doorheen gejaagd, een serie over een aantal mensen dat probeert te overleven in een post-apocalyptische wereld die wordt bevolkt door zombies. Dat dit niet geheel soepel verloopt, behoeft geen betoog – anders zou de serie niet zo populair zijn natuurlijk. The Walking Dead is een prima serie, maar ik mis alleen één ding: muziek van de Italiaanse groep Goblin.

Ik heb een groot aantal zombiefilms gezien, waaronder ‘Night Of The Living Dead’ (1968) van George Romero, de film waarmee het allemaal begon (hoewel dit niet de eerste zombiefilm was). Wat mij betreft is het vervolg ‘Dawn Of The Dead’ (1978), dat zich grotendeels afspeelt in een winkelcentrum, nóg beter.

Omdat Romero aanvankelijk de financiering niet rond kreeg, schoot de Italiaanse regisseur Dario Argento te hulp. Argento was net doorgebroken met de horrorfilm ‘Susperia’ (1977) en kon wel een potje breken. De afspraak was kort gezegd dat Romero de 'Dawn Of The Dead'-rechten kreeg voor het Engelstalige taalgebied, terwijl Argento de rechten verwierf voor de overige gebieden, waaronder het Europese vasteland. Alleen al de titels waaronder de zombiefilm in Europa werd uitgebracht zijn prachtig: ‘Zombi: L’alba dei Morti Viventi’ (Italië) ‘Zombie: Le Crépuscule des Morts Vivants’ (Frankrijk), ‘Zombi: El Regreso de los Muertos Vivientes’ (Spanje), ‘Zombie’ (Duitsland),’ Zombie: Rædslernes Morgen’ (Denemarken) en ‘Zombie: In De Greep van de Zombies’ (Nederland).

Zowel Romero als Argento sleutelde naar hartenlust aan ‘Dawn Of The Dead’. Terwijl Romero in sommige expliciete scènes het mes zette, liet Argento deze juist zitten. Hij sneed dan weer in enkele uitleggerige scènes, voerde het tempo op en besteedde minder aandacht aan karakterontwikkeling. Romero voegde op zijn beurt weer extra fragmenten toe – enfin, er doen een heleboel varianten de ronde.

Een van de belangrijkste wijzigingen die Argento doorvoerde, had echter te maken met de muziek. Want waar Romero library music en enkele bestaande nummers gebruikte, schakelde Argento de hulp in van het Italiaanse Goblin, de groep die bijna al zijn films van muziek had voorzien (elders op mijn log iets meer info). En dat betekende dus een soundtrack die bolstond van de progressieve rock en vervreemdende geluidseffecten - een soort nerveuze rockversie van de muziek waar collega-regisseur John Carpenter patent op lijkt te hebben. Prachtig.

Als ik nu een zombie zie, verwacht ik een dreigende synthesizerriedel en geen aanzwellende violen in mineur. Componist Bear McCreary doet heel erg zijn best, maar zijn muziek voor ‘The Walking Dead’ is vooral effectief. Een geluidseffectje hier, een subtiel atonaal roffeltje daar, dat werk. Hoog tijd om na vijf seizoenen beschaafde zombiemuziek eens lekker uit de band te vliegen…

Araglin Vrijdag 20 Maart 2015 at 12:13 pm | | film | Geen reacties
Gebruikte Tags:

Kwek kwek

Afgelopen weekend bevond ik me in Rotterdam. In Wunderbar om precies te zijn, een soort Duitse Stube met een industriële vintage twist (inclusief verplaatsbare tafeltjes op rails en een winkelgedeelte waar onder meer lp’s werden verkocht). Ik voelde me er gelijk thuis, niet in de laatste plaats vanwege de muziek. Want terwijl we zo heen en weer reden aan onze tafeltjes, kwamen er nummers voorbij van Jean-Jacques Perrey, Donna Summer en Klaus Wunderlich. Op een gegeven moment schalde er een driftig gekwaak uit de speakers. “Wat is dit nu weer?” vroeg de goede vriendin met wie ik aan de gin zat. “Ronald en Donald”, was mijn antwoord. Ze lachte. “Waarom verbaast het me niet dat jij dit kent!?”

En om je geheugen op te frissen: in april 1974 was Nederland in de ban van de twee kleine gele eendjes Ronald en Donald. Hun eerste single 'Kwek kwek' bereikte de vierde plaats in de Top 40 en iedereen zong mee met dit onweerstaanbaar debiele nummer. En niet alleen in Nederland waggelden ze door de hitlijsten, ook Frankrijk en België waren niet veilig voor Ronald en Donald, die voor de gelegenheid in het Frans kwekten ('Couac Couac').

Achter deze hit school de Belg Eddy Govert (bij de burgerlijke stand bekend als Eddy Van Mouffaert), die zich in de jaren zeventig ontpopte tot een veelgevraagd arrangeur, tekstschrijver en producer. Hij werkte voor Johnny Hoes en diens Telstar-label (zo produceerde hij nummers voor Don Mercedes en de Zangeres Zonder Naam), en startte in de jaren tachtig een solocarrière als accordeonist en zanger (onder de namen Le Grand Julot en Eddy Govert). Midden jaren tachtig ging hij werken bij het Belgische label Scorpion en stond hij mede aan wieg van Publishing Group Deschuyteneer & Van Mouffaert, dat zou uitgroeien tot een van de grootste muziekuitgeverijen annex platenmaatschappijen van België.

In 1974 scoorde Govert tot zijn grote verrassing en met wat hulp van piratenzender Radio Mi Amigo een internationale hit met 'Kwek kwek'. In ijltempo sleutelde hij vervolgens een album in elkaar (met als vanzelfsprekende titel 'Kwek kwek'). En terwijl de single niet aan te slepen was, flopte het album gigantisch. Niet verwonderlijk, één nummer met gekwaak is nog best grappig, een hele lp (met nummers als 'Rock 'n' Roll Ducks', 'Duck Story' en 'Tomato Soup') is simpelweg te veel van het goede...

Araglin Woensdag 11 Maart 2015 at 10:11 pm | | weird | Geen reacties
Gebruikte Tags: , ,

Strange Days

Narcistisch is het verkeerde woord, extravagant dekt de lading niet en het woord podiumdrift heb ik net verzonnen. Maar er moet iets zijn dat muzikanten, acteurs/actrices en kunstenaars voortstuwt om voortdurend het podium te beklimmen. Een ongebreidelde scheppingsdrang misschien? Wat in ieder geval niet helpt is (al dan niet valse) bescheidenheid. Gelukkig heeft Ad Visser daar geen last van. Hoewel bescheidenheid wederom het verkeerde woord is – misschien kun je beter spreken van een wild enthousiasme, een ontembaar geloof in intuïtie en het toeval.

In ‘Strange Days – Muzikale avonturen in de 60’s en 70’s’ haalt de 67-jarige Ad Visser herinneringen op aan onder meer zijn jeugd in Amsterdam, zijn carrière als avant-gardistisch muzikant, zijn periode als manager bij het Phonogram-label en Island Records en natuurlijk zijn jaren als presentator van het tv-programma Toppop.

Ad Visser springt heen en weer in de tijd en wisselt anekdotes en bespiegelingen af met songteksten, open brieven en zelfs een cocktailrecept. Visser schrijft zoals hij praat: vol passie en in bloemrijke volzinnen, die af en toe uit de bocht vliegen. Vooral in het begin van het boek is het alsof je hem tegen bent gekomen tijdens een feestje en hij de hele avond enthousiast in je oor aan het schreeuwen is, waarbij soms de rode draad even uit het oog wordt verloren.

Wie ‘Strange Days’ heeft gekocht voor de Toppop-verhalen, kan zijn hart ophalen. Toen Ad Visser met Toppop begon, waren artiesten nog redelijk benaderbaar en alle grote namen reisden af naar de studio in Amsterdam. Vermakelijk zijn bijvoorbeeld de verhalen over Peter Tosh en zijn band (die bijna te stoned waren om op te treden), David Bowie, Black Sabbath en Ozzy Osbourne, de leden van de Beach Boys die na de opnames belandden bij een seksfeest en dachten dat het er allemaal bij hoorde…

Visser schetst zichzelf als een zondagskind; het lijkt alsof alles hem komt aanwaaien en hij met de ene na de andere briljante ingeving op de proppen komt. En misschien is dat ook wel zo. Zijn enthousiasme werkt aanstekelijk, maar ‘Strange Days’ is geen boek dat je achter elkaar door kunt lezen – gedoseerd tot je nemen is het devies.

‘Strange Days’ is vooral leuk voor wie nieuwsgierig is naar al die beruchte Toppop-uitspattingen, de grote muzikale namen uit de jaren zeventig én naar de vroege carrière van Visser (die zich in de jaren zestig onder meer het alter ego Adjéèf The Poet aanmat). Visser refereert soms aan zijn ‘synthesizerperiode’ en zijn programma Super Clean Dream Machine, maar gaat daar niet of nauwelijks dieper op in.

Jammer, ik had graag meer willen lezen over zijn ‘Sobriëtas’-project en de daaraan gekoppelde Europese tournee, de Brainsessions-serie, zijn Amsterdam Computer Ensemble, zijn talloze multimediaprojecten, de ‘Zing je Moerstaal’-lp, de spiritueel-esoterische cd-serie die hij samenstelde voor het Oreade-label en noem het maar op.

‘Strange Days’ stopt nu begin jaren tachtig; wat mij betreft wordt het vanaf dat moment pas écht interessant. Ad Visser is veel meer dan alleen ‘Mr. Toppop’, een rol die hij weliswaar graag en met verve speelt, maar slechts een klein onderdeel is van zijn veelzijdige kunstenaarschap. Op naar een vervolg dus.

Araglin Donderdag 05 Maart 2015 at 10:48 pm | | elektronisch | Eén reactie

1985

1985 was een mooi muziekjaar, met hits als ‘Loverboy’ (Billy Ocean), ‘Axel F’ (Harold Faltermeyer), ‘Love & Pride’ (King), ‘Take On Me’ (A-ha), ‘P Machinery’ (Propaganda) en ‘Just Can’t Get Enough’ (Depeche Mode) om er maar eens een paar te noemen. Wat deze nummers gemeen hebben? Ze worden gedomineerd door synthesizers. Het was dan ook niet verwonderlijk dat tijdens de 27ste uitreiking van de Grammy Awards (in februari 1985) een speciaal programmaonderdeel was gereserveerd voor de vier synthtovenaars (toentertijd in ieder geval) Stevie Wonder, Herbie Hancock en relatieve nieuwkomers Thomas Dolby en Howard Jones. Hun optreden wordt ook wel omschreven als ‘the most ’80s thing that ever happened. Ever.’

Howard Jones vertelde later in een interview met Yahoo! Music: “De organisatie van de Grammy’s wilde de komst van elektronische instrumenten benadrukken en ze een soort van… geloofwaardigheid geven. En ze wilde hiervoor supersterren gebruiken, zoals vanzelfsprekend Stevie Wonder en Hancock, aangevuld met de nieuwe lichting synthmuzikanten, zoals Thomas Dolby en mezelf. Ik denk echt dit een mijlpaal was voor de elektronische popmuziek.”

In 1985 was ik nog wat te jong om dit bewust mee te krijgen, maar gelukkig is er YouTube. De registratie van dit optreden vind je hieronder; de kwaliteit laat helaas te wensen over, maar gelukkig valt er veel te genieten. Nu ja, veel.. Eigenlijk vooral van de indrukwekkende hoeveelheid apparatuur op het podium: een Fairlight CMI op de achtergrond, een Oberheim Xpander, een Kurzweil K250, Twee Memory Moogs, Thomas Dolby die rondrent met een TR-606…

Het optreden zelf is maar zozo. Als je goed kijkt, zie je dat de artiesten hun hits playbacken, waarbij met name Thomas Dolby zich heerlijk aan het uitsloven is. Vanzelfsprekend leverde dit hen de nodige kritiek op. Maar er was een excuus: MTV wilde niet dat er live werd gespeeld (het had iets te maken met de stroomvoorziening, voor zover ik kon achterhalen) en het hele optreden is jammer genoeg van tevoren opgenomen.

Gelukkig hebben we de prachtige haardossen van Dolby en Jones nog...

Araglin Maandag 02 Maart 2015 at 11:34 pm | | 80s | Geen reacties
Gebruikte Tags: ,