Hearts of Space

Naast mijn pc staan enkele grote stapels cd’s waar ik wat mee ‘moet’ – luisteren, rippen, catalogiseren, liner notes lezen, dat soort dingen. Hetzelfde geldt voor de tientallen lp’s naast de platenspeler, mijn ‘Nog uitchecken’-lijstjes op Spotify en de omcirkelde reviews in muziekbladen. ‘Moet je dat allemaal nog beluisteren?’ wordt mij wel eens gevraagd, waarbij de vraagsteller dan heel moeilijk kijkt. Alsof een cd’tje opzetten een straf is die je zelf je ergste vijand niet toewenst. Heerlijk toch, is steevast mijn antwoord. ‘Altijd een voorraad verse muziek binnen handbereik. Onderweg Spotify, ’s avonds een cd’tje en zondagochtend een croissantje en een lp.’

Maar ik moet toegeven, soms ben ik gewoon te lui om in de al dan niet virtuele muzikale stapels te duiken en wil ik me laten verrassen. En dan biedt Hearts of Space uitkomst, de onvolprezen online radiozender van Stephen Hill. Al sinds 1973 is deze Amerikaanse producer, dj, platenbaas en presentator actief met zijn zender, die is gewijd aan ‘slow music for fast times’.

Hearts of Space wordt in Amerika door ruim 200 zenders uitgezonden en iedere uitzending heeft een bepaald thema, variërend van ‘Space Guitars’, ‘Ambient Memories’ en ‘Celtic Spring’ tot thema-uitzendingen rond onder anderen Tangerine Dream, Brian Eno en Aphex Twin. Stephen Hill begint altijd met een interessante, korte introductie (die desgewenst is uit te schakelen), gevolgd door een uur lang naadloos in elkaar overlopende muziek van vaak relatief onbekende artiesten. De teller staat inmiddels op 1078 uitzendingen.

Het interessante is dat Hill het niet heeft over ‘ambient’, ‘new age’ of ‘elektronische muziek’, maar over ‘spacemusic’. Hij omschrijft dit als: "A timeless experience... as ancient as the echoes of a simple bamboo flute or as contemporary as the latest ambient electronica. Any music with a generally slow pace and space-creating sound image can be called spacemusic. Generally quiet, consonant, ethereal, often without conventional rhythmic and dynamic contrasts, spacemusic is found within many historical, ethnic, and contemporary genres." En dat betekent dus dat ook klassieke muziek, techno of traditionele muziek uit bijvoorbeeld Japan aan bod kan komen.

De wekelijkse uitzending is op zondag gratis live te beluisteren, maar wie een (streaming)abonnement afsluit, heeft toegang tot het complete archief (inclusief info over de gedraaide muziek), negen thematische zenders en diverse complete albums. Er zijn diverse abonnementsvormen - al vanaf een dollar per maand - en het mooie is dat er ook een app beschikbaar is (voor iOS en Android). Ik heb in ieder geval heel veel moois ontdekt via Hearts of Space.

En nee, dit is geen gesponsord reclamepraatje. ‘Space is the place’, om de legendarische jazzmuzikant Sun Ra maar eens te citeren.

Araglin | Maandag 01 Juni 2015 at 11:16 pm | new-age, interessant, elektronisch | Reageer

Strange Days

Narcistisch is het verkeerde woord, extravagant dekt de lading niet en het woord podiumdrift heb ik net verzonnen. Maar er moet iets zijn dat muzikanten, acteurs/actrices en kunstenaars voortstuwt om voortdurend het podium te beklimmen. Een ongebreidelde scheppingsdrang misschien? Wat in ieder geval niet helpt is (al dan niet valse) bescheidenheid. Gelukkig heeft Ad Visser daar geen last van. Hoewel bescheidenheid wederom het verkeerde woord is – misschien kun je beter spreken van een wild enthousiasme, een ontembaar geloof in intuïtie en het toeval.

In ‘Strange Days – Muzikale avonturen in de 60’s en 70’s’ haalt de 67-jarige Ad Visser herinneringen op aan onder meer zijn jeugd in Amsterdam, zijn carrière als avant-gardistisch muzikant, zijn periode als manager bij het Phonogram-label en Island Records en natuurlijk zijn jaren als presentator van het tv-programma Toppop.

Ad Visser springt heen en weer in de tijd en wisselt anekdotes en bespiegelingen af met songteksten, open brieven en zelfs een cocktailrecept. Visser schrijft zoals hij praat: vol passie en in bloemrijke volzinnen, die af en toe uit de bocht vliegen. Vooral in het begin van het boek is het alsof je hem tegen bent gekomen tijdens een feestje en hij de hele avond enthousiast in je oor aan het schreeuwen is, waarbij soms de rode draad even uit het oog wordt verloren.

Wie ‘Strange Days’ heeft gekocht voor de Toppop-verhalen, kan zijn hart ophalen. Toen Ad Visser met Toppop begon, waren artiesten nog redelijk benaderbaar en alle grote namen reisden af naar de studio in Amsterdam. Vermakelijk zijn bijvoorbeeld de verhalen over Peter Tosh en zijn band (die bijna te stoned waren om op te treden), David Bowie, Black Sabbath en Ozzy Osbourne, de leden van de Beach Boys die na de opnames belandden bij een seksfeest en dachten dat het er allemaal bij hoorde…

Visser schetst zichzelf als een zondagskind; het lijkt alsof alles hem komt aanwaaien en hij met de ene na de andere briljante ingeving op de proppen komt. En misschien is dat ook wel zo. Zijn enthousiasme werkt aanstekelijk, maar ‘Strange Days’ is geen boek dat je achter elkaar door kunt lezen – gedoseerd tot je nemen is het devies.

‘Strange Days’ is vooral leuk voor wie nieuwsgierig is naar al die beruchte Toppop-uitspattingen, de grote muzikale namen uit de jaren zeventig én naar de vroege carrière van Visser (die zich in de jaren zestig onder meer het alter ego Adjéèf The Poet aanmat). Visser refereert soms aan zijn ‘synthesizerperiode’ en zijn programma Super Clean Dream Machine, maar gaat daar niet of nauwelijks dieper op in.

Jammer, ik had graag meer willen lezen over zijn ‘Sobriëtas’-project en de daaraan gekoppelde Europese tournee, de Brainsessions-serie, zijn Amsterdam Computer Ensemble, zijn talloze multimediaprojecten, de ‘Zing je Moerstaal’-lp, de spiritueel-esoterische cd-serie die hij samenstelde voor het Oreade-label en noem het maar op.

‘Strange Days’ stopt nu begin jaren tachtig; wat mij betreft wordt het vanaf dat moment pas écht interessant. Ad Visser is veel meer dan alleen ‘Mr. Toppop’, een rol die hij weliswaar graag en met verve speelt, maar slechts een klein onderdeel is van zijn veelzijdige kunstenaarschap. Op naar een vervolg dus.

Araglin | Donderdag 05 Maart 2015 at 10:48 pm | elektronisch | 1 reactie

Kraftwerk

Je kunt een hoop dingen over Kraftwerk zeggen, maar productief kun je de groep niet noemen. De afgelopen 27 jaar bracht Kraftwerk welgeteld één nieuw album uit (‘Tour de France Soundtracks’ uit 2003, inclusief de twintig jaar oude single ‘Tour de France’) en het live-album ‘Minimum-Maximum’ (2005).

De Duitsers reizen vooral de wereld rond, met de inmiddels 68-jarige Ralf Hütter als enige overgebleven oorspronkelijke bandlid en boegbeeld. Zo neemt Kraftwerk vrijdag (16 januari) het Amsterdamse Paradiso over. Acht avonden achter elkaar brengt de groep acht klassieke albums uit zijn oeuvre ten gehore, inclusief een bijzondere 3D-show.

Het startschot voor deze zogenoemde ‘Catalogue 12345678’-tournee werd al in april 2012 gegeven in het MOMA (Museum of Modern Art) in New York, waarna optredens volgden in onder meer het Opera House in Sydney, het Londense Tate Modern en Fondation Louis Vuitton in Parijs. Tussendoor vonden er nog talloze ‘losse’ 3D-concerten plaats; zo gaf Kraftwerk in oktober 2013 vier optredens in het Evoluon in Eindhoven.

Kraftwerk zelf maakt op hun site een strikt onderscheid tussen deze twee tournees (laten we ze de ‘oeuvre-optredens’ en de ‘best of-concerten’ noemen), maar in de praktijk zijn de verschillen minimaal en lijkt het vooral een slimme marketingtruc. En dat komt vooral omdat je elke avond ongeveer dezelfde nummers krijgt voorgeschoteld – alleen de volgorde verschilt. Een gemiddeld Kraftwerk-album duurt zo’n 40 minuten (met uitzondering van ‘The Mix’ en ‘Tour de France Soundtracks’) en daar vul je immers geen hele avond mee. Maar goed, een kniesoor die daar op let en het zal de vele fans een zorg zijn.

Het is niet de eerste keer dat Kraftwerk in Paradiso staat. Op zaterdag 11 september 1976 speelden de Duitsers in een destijds voor de helft gevuld Paradiso. Op YouTube is een audioregistratie van dat optreden te vinden en als je het nu beluistert, valt op hoe weinig er aan het Kraftwerk-geluid is veranderd. Sterker nog, het klinkt interessanter en futuristischer dan de concerten die Kraftwerk nu geeft (let wel: klinkt, het ziet er anno 2015 wel flitsender uit natuurlijk).



De Kraftwerk-sound was ooit baanbrekend en revolutionair. Vier keurig geklede mannen die achter hun synthesizers de muziek van de toekomst maakten – het was nog niet eerder vertoond. Toen was het de toekomst, nu is het een nostalgisch terugblikken naar een toekomst die al een jaar of 20 is aangebroken. Een tijd waarin zakrekenmachines hebben plaatsgemaakt voor smartphones en de Trans Europe Express is vervangen door de EuroCity. Maar aan de andere kant: de Tour de France is still going strong en ‘Radioaktivität’ (1975) is nog altijd een actueel nummer (zie bijvoorbeeld de ramp met de kernreactor van Fukushima).

Muzikaal gezien mag Kraftwerk dan te beschouwen zijn als een hermetisch gesloten eilandje waar weinig gebeurt, het concept Kraftwerk is een geheel ander verhaal. Je kunt de ‘Catalogue 12345678’-tournee namelijk ook zien als een rondreizende tentoonstelling (‘conceptuele performances’ noemen ze het zelf), net zoals bijvoorbeeld de exposities van Kazimir Malevich (vorig jaar in het Stedelijk Museum in Amsterdam) of David Bowie (vanaf december in het Groninger Museum).

Gezien de voorliefde van Kraftwerk voor optredens in musea, ligt het voor de hand om te denken dat de bandleden hun albums zien als ‘kunstvoorwerpen’, waarbij Ralf Hütter zichzelf heeft opgeworpen als hoofdconservator. En aan een kunstvoorwerp ga je nu eenmaal niet zitten fröbelen. 

Karl Bartos, die tussen 1975 en 1990 deel uitmaakte van Kraftwerk, verwoordt het in het nummer ‘Rhythmus’ (2013) als volgt: ‘Die Artikulation der Zeit / Das Gesamtkunstwerk / Die Augenmusik’. En dat is misschien nog wel de beste omschrijving.

Araglin | Donderdag 15 Januari 2015 at 10:41 pm | elektronisch, Standaard | Reageer

Zanov is terug!

Het blijft jammer dat het succes van Jean Michel Jarre er niet voor heeft gezorgd dat er een bloeiende elektronische scene is ontstaan in Frankrijk. Terwijl veel Duitse muzikanten elkaar in de jaren zeventig kenden en opzochten (waarbij er vooral in Berlijn en Düsseldorf een levendige synthesizergemeenschap ontstond), was dit in Frankrijk niet het geval. Muzikanten als Didier Bocquet, Richard Vimal, Richard Pinhas (Heldon), Didier Marouani en Jean Michel Jarre kenden elkaar niet of nauwelijks. En moesten dus min of meer zelf het elektronische wiel uitvinden en een publiek zien op te bouwen. 

Neem nu de carrière van Zanov, oftewel Pierre Salkazanov (ook wel gespeld als Zalkazanov). Gelijktijdig met Jarre's 'Oxygène' verscheen in 1976 Zanovs debuut-lp 'Green Ray', dat heerlijk analoog wegluistert (ik schreef er al eerder over). Opvolgers 'Moebius 256 301' (1977) en 'In Course of Time' (1982) waren eveneens ijzersterk, maar werden niet opgepikt door het grote publiek. Of het gebrek aan succes ermee te maken had weet ik niet, maar Zanov verdween vanaf 1982 ogenschijnlijk van de aardbodem. Zijn albums werden niet op cd uitgebracht (of anderszins beschikbaar gemaakt) en langzaam maar zeker raakte hij in de vergetelheid.

Tot nu dan. Want enkele maanden geleden verscheen er vanuit het niets een nieuw Zanov-album: ‘Virtual Future’. Salkazanov was ooit van plan om in 1984 het album ‘Nous reprenons notre avenir’ uit te brengen, waaraan hij begonnen was in 1979. (Om het verwarrend te maken: ‘In Course Of Time’ was al afgerond in 1978, maar de lp zou pas in 1982 worden uitgebracht.) Het kwam er niet van. De Fransman had andere dingen aan zijn hoofd: een gezin, zijn baan, dat soort dingen.

Ik heb het zo het vermoeden dat (de inmiddels gepensioneerde?) Salkazanov tijdens het opruimen van zijn zolder op de oude tapes stuitte en dacht: verrek, helemaal vergeten! Hij besloot de muziek te digitaliseren en af te maken met behulp van een Arturia Origin. Helaas was hij niet meer in het bezit van zijn oude synths (te weten een VCS-3, ARP 2600, RMI Harmonic synthesizer en Korg PS-3300), dus het eindresultaat is een grappige combinatie van oud en nieuw.

Hoe het klinkt? Waanzinnig! Alsof er de afgelopen 32 jaar niets is gebeurd. Je wordt subiet de jaren zeventig in geslingerd, in gezelschap van analoge synthesizers die ronken en bonken dat het een lieve lust is en zich al psychedelisch zwierend een weg door de kosmos banen. Het heeft wel iets weg van de beklemmende albums die Klaus Schulze in de jaren zeventig maakte, hoewel de sound van Zanov veel voller en ‘metaliger’ is. Prachtig.

Het album is te koop en te downloaden via CD Baby en gelukkig ook te vinden op Spotify (direct hieronder af te spelen als je een Spotify-account hebt). In dit YouTube-filmje een impressie van zo’n drie minuten voor wie nog overtuigd moet worden.

Araglin | Donderdag 04 December 2014 at 11:54 pm | elektronisch | 2 reacties

Interplanetary Folk

In 1973 organiseerde het Brooklyn Museum een expositie over de Dogon-stam uit Mali. Centraal stonden de vreemde en buitenissige sculpturen van deze eeuwenoude Afrikaanse stam, die te maken hadden met hun complexe religieuze en astronomische theorieën. Deze astronomische kennis zou in een ver verleden door bezoekers van de ster Sirius aan de mensheid zijn overgedragen en door de Dogon van generatie op generatie doorgegeven. Deze buitenaardse wezens werden Nommos genoemd; visachtige menswezens, met zwemvliezen en schubben.

De Dogon beschikten over kennis waarvan wetenschappers destijds stijl achterover sloegen. Dat Jupiter bijvoorbeeld over vier (met het blote oog onzichtbare) manen beschikt of dat Sirius wordt vergezeld door de (eveneens onzichtbare) witte dwergster Sirius B en de bruine dwergster Sirius C (bijgenaamd Emme Ya).

Over het feit hoe de Dogon dit allemaal precies konden weten, verschillen de meningen (hoewel de sceptici de overhand lijken te hebben), maar fascinerend is het zeker. Dat vond ook Craig Leon, die vol verbazing rondliep in het museum en alle indrukken als een spons in zich opzoog. Fast forward naar eind jaren zeventig. Leon had zich inmiddels ontwikkeld tot een succesvol en veelgevraagd punk- en new wave-producer, die betrokken was bij de baanbrekende debuutalbums van onder anderen Blondie, Richard Hell, Suicide en de Ramones.

In 1979 ontmoette hij Denny Bruce (de producer/manager van Leo Kottke) en John Fahey, die op hun Takoma-label een album hadden uitgebracht waarop ze een alternatieve Amerikaanse geschiedenis ten gehore brachten. Dat bracht Leon op een idee. Geïnspireerd door de Dogon-expositie besloot hij samen met zijn vrouw Cassell Webb muziek te maken die de vreemde wereld van de Nommos tot leven zou brengen. Het stel ging aan de slag met een Roland Jupiter-4, ARP 2600, Oberheim OB-X en een prototype van de drummachine die later door Roger Linn geperfectioneerd zou worden.

Lees meer »

Araglin | Woensdag 12 November 2014 at 8:10 pm | weird, elektronisch | Reageer

Lords of Salem

Mijn verwachtingen waren hooggespannen, maar helaas. ‘Lords of Salem’ (2012) van Rob Zombie is geen al te goede film. Jammer, want zijn eerdere films als ‘House of 1000 Corpses’ (2003) en ‘The Devil’s Rejects’ (2005) waren steengoed. ‘Lords of Salem’ is echter een raar occult allegaartje over middeleeuwse heksenvervolgingen in het Amerikaanse plaatsje Salem en radio-dj Heidi (een rol van Zombie’s vrouw Sheri Moon Zombie) die via een obscure lp wordt bezeten door satan. Het ziet er allemaal sfeervol en bij vlagen ronduit bizar uit, maar daar heb je weinig aan als het verhaal rammelt en het hoofdpersonage niet geheel weet te overtuigen.

De muziek in de film is echter schitterend. Nu ja, schitterend is misschien niet het juiste woord. ‘Toepasselijk’ is beter. Geen wonder, Zombie is geen onverdienstelijk muzikant en weet perfect wat wel en wat niet werkt – hoewel hij zelf geen bijdrage heeft geleverd aan de soundtrack. In ‘Lords of Salem’ komen nummers voorbij van Rush (‘The Spirit of the Radio’), The Velvet Underground & Nico (het nog altijd prachtige ‘Venus in Furs’) en Manfred Mann's Earth Band (‘Blinded By the Light’), die worden afgewisseld met sfeervolle filmmuziek en effecten van John 5 (bekend als gitarist van Marilyn Manson en Rob Zombie) en de Amerikaanse componist Griffin Boice.

Dat ‘Lords of Salem’ niet lachwekkend of kitscherig is geworden, heeft alles te maken met het 'satanische' deuntje dat ervoor zorgt dat hoofdpersoon Heidi compleet doordraait. Dit is namelijk geen cheesy gedreutel, maar een oprecht naargeestige track dat zich als een roestige spijker in je onderbewuste boort en zowel weet te intrigeren als te irriteren. En dat komt hoogstwaarschijnlijk omdat John 5 en Boice niet zomaar wat depressieve klanken op een hoopje hebben gegooid.

‘The Lords Theme’ is opgebouwd rond de tritonus, een dissonant interval bestaande uit drie hele toonafstanden. In de middeleeuwen werd deze interval met de duivel geassocieerd en muziek met dit schemaatje omschreven als ‘diabolus in musica’. Het loopje wordt door moderne componisten vaak gebruikt om een lekker dreigend sfeertje neer te zetten; Leonard Bernstein gebruikte het in ‘West Side Story’ en ook in Benjamin Brittens ‘War Requiem’ is het veelvuldig te horen.

Jammer is alleen dat ‘The Lords Theme’ slechts 49 seconden duurt – het smaakt naar meer, op een perverse manier. Hieronder een YouTube-clipje met een variant die is opgerekt tot twee minuten. En in dit zipje enkele varianten, aangevuld met ‘The Curse of Margaret Morgan’, dat met zijn fijn kloppende, pulserende synths in de hele film wordt gebruikt als voorbode van naderend onheil.

Araglin | Woensdag 16 April 2014 at 10:37 pm | weird, film, elektronisch | Reageer
Gebruikte Tags: ,

School Daze

In een grijs weblogverleden omschreef ik de Amerikaanse producer Patrick Cowley (1950-1982) ooit als ‘het veel te vroeg overleden scharnierpunt tussen disco en house’. Cowley mag dan de muziekgeschiedenis zijn ingegaan als de ongekroonde disco- en remixkoning (check zijn magistrale remix van Donna Summers ‘I Feel Love’), ‘School Daze’ laat een geheel andere muzikale kant van hem horen. Op dit eind vorig jaar verschenen album zijn nooit eerder verschenen instrumentale tracks verzameld die Cowley schreef tussen 1973 en 1981.

In 1981 vroeg John Coletti, eigenaar van het gay porn-productiebedrijf Fox Studio in Los Angeles, of Cowley zin had om enkele van zijn films te voorzien van een soundtrack. Cowley snuffelde wat in zijn archief en stuitte op diverse studio-experimenten en klankcollages. Of Coletti daar misschien wat mee kon? 

De term gay porn-muziek wekt misschien associaties op van besnorde mannen die zwoel transpireren in de sportschool en daarbij worden ondersteund door cheesy synthesizerdeuntjes, maar Coletti pakte het anders aan. Hij selecteerde juist de surrealistische, experimentele nummers en in combinatie met de homo-erotische beelden was het resultaat… bijzonder. Nu heb ik me nooit verdiept in de homoseksuele pornowereld van de jaren zeventig, maar ik krijg de indruk dat de homopornofilms uit die tijd niet alleen draaiden om seks, maar ook een hoger, artistiek doel dienden.

Lees meer »

Araglin | Woensdag 19 Februari 2014 at 11:04 pm | elektronisch, review | Reageer

Encounter

Ik kan me vergissen, maar ik heb zo het vermoeden dat aliens zo langzamerhand uitgeëxperimenteerd zijn op de mensheid. Ik bedoel, het aantal verhalen over ontvoeringen door buitenaardse wezens die allerlei nare medische tests uitvoeren en zendertjes implanteren in hun slachtoffers is de afgelopen jaren drastisch afgenomen. Of ik begeef me in de verkeerde kringen, dat kan natuurlijk ook.

Vanaf midden jaren tachtig tot begin jaren negentig was het fenomeen alien abuction iin ieder geval een stuk populairder. Berucht is het schimmige autopsiefilmpje uit 1995, waarin te zien is hoe een alien op minutieuze wijze wordt ontleed. Het wezen zou zijn ‘gered’ in 1947, nadat een ufo was neergestort vlakbij het plaatsje Roswell in New-Mexico. Het bleek allemaal in scène te zijn gezet.

Het is voor dit stukje niet zo relevant om in te gaan op het hoe en waarom van deze buitenaardse ontvoeringen, want stel dat je zou worden ontvoerd door kleine grijze mannetjes in een ufo, hoe zou dat dat dan klinken? Deze vraag intrigeerde de Amerikaanse componist en ambientpionier Michael Stearns (1948). Na eerder enkele fijn zwevende albums te hebben uitgebracht (waaronder klassiekers als ‘Morning Jewel’ en ‘Planetary Unfolding’ uit respectievelijk 1979 en 1981), kwam hij in 1988 op de proppen met het weergaloze conceptalbum ‘Encounter’.

Lees meer »

Araglin | Maandag 10 Februari 2014 at 11:53 pm | new-age, elektronisch | Reageer
Gebruikte Tags: , ,

Machinist – Convergence

Je hebt muziek om de afwas bij te doen, muziek om op te dansen, bij in slaap te vallen, bij weg te dromen, je aan te ergeren, muziek om luidkeels mee te blèren en noem het allemaal maar op. En dan heb je nog muziek die bedoeld is om naar te luisteren. Echt te luisteren dus, zonder tegelijkertijd even je mail te checken, je goudvissen te voeren of je teennagels bij te knippen. Muziek waarover is nagedacht. 

Zoals ‘Convergence’, het nieuwe album van Machinist (oftewel de Utrechtse kunstenaar en muzikant Zeno van den Broek, lees hier het interview dat ik eerder met hem had), verschenen op Narrominded / Betontoon. Niet dat – pak ‘m beet – Rihanna niet over haar muziek nadenkt, maar het lijkt me geen pretje om heel geconcentreerd haar nieuwste album uit te zitten. ‘Convergence’ is andere koek. Het album bestaat uit één track van 34 minuten, live opgenomen op 19 november 2011 in Amsterdam. 

Het begint rustig, met wegstervende pianoklanken en elektronische effecten, die langzaam maar zeker gezelschap krijgen van noiseklanken en een aanzwellende zoemtoon - het audio-equivalent van een industriële bouwlamp. Deze geluiden ebben na verloop van tijd weg, om plaats te maken voor natuurgeluiden: regen, wind, getjilp van vogels. En net als je er lekker inzit, wordt het vervolgens licht oncomfortabel met witte ruis en sinusgolven, waarna pianoklanken en effecten je weer begeleiden naar het beginpunt. 

Het klinkt wellicht niet heel spannend allemaal, maar tijdens het luisteren is het alsof om je heen de muren verdwijnen, je even onbeschut (puur bijna) in de wereld staat, waarna de woonkamer weer vanaf de grond wordt opgebouwd. Een scheppingsverhaal in geluid. En hoewel Zeno van den Broek op zijn vorige albums ‘of what once was’ (2011) en ‘Viens Avec Moi Dans Le Vide’ (2010) eveneens vanuit een bepaald idee uitging en dat secuur uitwerkte, voelt het alsof ‘Convergence’ pas écht een conceptalbum is: het samenkomen van geluid en ruimte. 

Het is aan jou: je teennagels knippen met Rihanna of stilzitten en de diepte in met Zeno. 

Admin | Vrijdag 14 December 2012 at 4:59 pm | review, elektronisch | 2 reacties

Joop Stokkermans

Zeker drie generaties zijn opgegroeid met muziek van de componist en pianist Joop Stokkermans, die op 25 oktober op 75-jarige leeftijd overleed.

In de jaren zestig schreef en componeerde hij diverse inzendingen voor het Eurovisie Songfestival (waaronder ‘Katinka’ voor De Spelbrekers en ‘Morgen’ voor Ronnie Tober), hoewel deze eigenlijk stuk voor stuk flopten. Meer succes had hij met zijn muziek voor jeugdseries als ‘Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen’ (1972), ‘Ti-ta-tovenaar’ (1972), ‘Q & Q’ (1974) en ‘’De Bereboot’ (1976).

Daarnaast componeerde hij hits voor D.C. Lewis (‘Mijn gebed’), schreef hij muziek voor uiteenlopende musicals en was hij actief in de reclamewereld. Stokkermans was verantwoordelijk voor de deuntjes van onder meer Kips Leverworst (‘Liever Kips Leverworst’), Douwe Egberts Koffie (‘Altijd weer een gezellig moment’) en Venz Hagelslag (‘Het hagelt, het hagelt’). (Een behoorlijk compleet overzicht van Stokkermans’ bijzonder lijvige oeuvre vind je hier.)

Tussen alle bedrijven door vond Stokkermans ook nog de tijd om enkele solo-albums op te nemen: ‘The Magic Of The ARP Synthesizer’ (1970), ‘Eternal Cycle’ (1976), ‘Hommage’ (1982) en ‘Idylle’ (1997). Niet al te schokkende albums waarop de Hilversumse componist bekende klassieke stukken van onder anderen Bach, Beethoven, Mozart en Satie onder handen nam en voorzag van een easy listening-sausje. 

Het opvallendst is zijn solodebuut ‘The Magic Of The ARP Synthesizer’. Stokkermans en programmeur Roddy de Hilster leefden zich voor dit album uit op een modulaire ARP 2002. De bewerkingen van Bach, Burt Bacharach, Gilbert Bécaud en Tsjaikovski zijn alleraardigst, hoewel ze vooral door de arrangementen van orkestleider Bert Paige wel wat braafjes klinken. Het leukste zijn de vier eigen composities van Stokkermans, die zich kunnen meten het werk van synthesizerpionier Jean-Jacques Perrey. Het is jammer dat Stokkermans in de jaren die zouden volgen niet wat meer met het elektronische genre heeft gestoeid – ik vraag me wat er zou zijn gebeurd als hij in de weer zou zijn gegaan met bijvoorbeeld een Moog Modular…

Maar goed, luister zelf: ‘The Magic Of The ARP Synthesizer’ (320 kbps, link is beperkt houdbaar). En vergeet vooral niet de achterkant van de lp-hoes te lezen, waarop je een bijzonder uitgebreid (en enigszins kazig) introductieverhaal vindt over ‘dit magische apparaat’. Want: ‘[…] tenslotte moeten wij met z’n allen leven in die wereld van vandaag, dus ook in die wonderlijke wereld van de ARP-Synthesizer.’

Admin | Maandag 12 November 2012 at 11:47 pm | elektronisch | Reageer
Gebruikte Tags: ,