Wij Nederlanders zijn niet zo chauvinistisch als het om onze muziek gaat. De export van Nederlandse muziek levert weliswaar jaarlijks zo'n 35 miljoen euro op (waarvan de helft op rekening komt van dance), maar om nu te zeggen dat deze muziek typisch Nederlands is, nou nee. In bijvoorbeeld het doorwrochte 'World Music: The Basics' laat de Amerikaanse auteur Richard Nidel talloze landen en kenmerkende artiesten de revue passeren. Nederland wordt echter niet genoemd - wel België en Duitsland. En als je er over na denkt: bestaan er überhaupt wel artiesten die putten uit typisch Nederlands cultureel erfgoed? Het Gelderse Heidevolk zingt bijvoorbeeld over allerhande lokale legenden en duikt diep in de heidense geschiedenisboeken, maar de muzikale wortels zijn verankerd in metal. Iets dergelijks geldt ook voor groepen als Fungus of Wolverlei, die met name putten uit vooral de Engelse folktraditie.
Misschien leg ik de lat te hoog en is het beter om te veronderstellen dat typisch Nederlandse muziek niet bestaat, maar dat nummers als '15 miljoen mensen', 'Dromen zijn bedrog' of 'Een vlieger' prima voldoen. Als je echter enige moeite doet, is er veel meer op te diepen. Zo bracht Philips In de jaren negentig onder de noemer 'Dutch Masters' een groot aantal albums uit met klassieke muziek, gedirigeerd of vertolkt door Nederlandse musici. Als smakelijk lokkertje zag eind jaren negentig het - inmiddels - niet meer verkrijgbare album 'In Holland staat een huis' het licht, dat een bonte verzameling 'oud-Hollandse' liederen bevatte.
Fraai zijn bijvoorbeeld de zes barok-achtige variaties op het kinderliedje 'In Holland staat een huis', gearrangeerd door Hugo de Groot (1897-1986) en uitgevoerd door het Reicha Quintet. Andere klassiekers zijn onder meer 'Aan de Amsterdamse grachten', in 1955 geschreven door Pieter Goemans (1925-2000), en 'Ik hou van Holland', in de uitvoering van Christina Deutekom (1931). Bijzonder (en dan vooral uit historisch oogpunt) is de orgelvariatie op 'Merck toch hoe sterck' (over het beleg en ontzet van Bergen op Zoom) door Feike Asma (1912-1984), in 1968 opgenomen in de Oude Kerk te Amsterdam.
De in de jaren vijftig wereldberoemde zangeres Aafje Heynis (1924) zingt diverse kinderliedjes, terwijl het Koninklijk Concertgebouworkest zich in een opname uit 1939 waagt aan 'Oudnederlandse dansen Opus 46: Saltarelle' van de Duits-Nederlandse componist en dirigent Julius Röntgen (1855-1932). Ton Koopman (1944) clavecimbelt zich door 'Een linde groen', geschreven door Jan Pieterszoon Sweelinck (1562 -1621). Laatstgenoemde woonde en werkte 400 jaar geleden op de Amsterdamse Wallen rond het Oudekerksplein en schreef een lied over de lindebomen op dit plein - die er nog altijd staan.
En tot slot (en dan heb ik nog lang niet alles gehad): de 'Piet Hein Rapsodie' van componist en dirigent Peter van Anrooy (1879-1954). Voor oudere lezers (en ik hoop dat die er zijn) is Van Anrooy ongetwijfeld een bekende naam; hij presenteerde het populaire AVRO-radioprogramma 'Inleiding tot muziekbegrip', schreef een groot aantal boeken en was daarnaast een niet onverdienstelijk componist. In 1900 schreef hij zijn bekendste werk 'Piet Hein Rapsodie', dat net zo goed over iets heel anders had kunnen gaan. Van Anrooy worstelde namelijk al een tijdje met een gelegenheidscompositie, maar slaagde er maar niet in om iets leuks te verzinnen. Zijn leermeester Johan Wagenaar raakte hierdoor zo gefrustreerd dat hij - volgens de overlevering - uitriep: ''Kom op nou, schrijf desnoods iets over de Zilvervloot, maar doe wat!'' Verrek, dacht Van Anrooy, en componeerde vervolgens variaties op 'Piet Hein, Piet Hein zijn naam is klein / zijn daden benne groot', het lied over de Nederlandse admiraal die vooral bekend is geworden door de verovering van de Spaanse zilvervloot in 1628.
Een van de bekendste gebeden uit de middeleeuwen is ongetwijfeld het 'Stabat Mater', ook wel bekend als 'Stabat Mater dolorosa' (oftewel: 'de Moeder stond door smart bevangen'). In het gebed staat de treurende Maria centraal, die bij het kruis van haar zoon zowel rouwt om hem als om de gehele mensheid. Het is niet precies bekend wie het Stabat Mater heeft geschreven. Naar alle waarschijnlijkheid is de Latijnse tekst tussen de 12e en 14e eeuw opgetekend door een Italiaanse of Franse monnik uit de Franciscanenorde. Historici hebben verschillende monniken gebombardeerd tot auteur (onder wie Johannes Fidenza, John Pecham en Jacopone van Todi), maar de echte Franciscaner moet nog steeds opstaan.
Hoe het ook zij, de onbekende schrijver heeft vooral inspiratie geput uit Lucas 2, vers 35 en Johannes 19, vers 25 ('Bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder met haar zuster […]', in het Latijn: 'Stabant iuxta crucem Iesu mater eius […]'). Het was de bedoeling dat je jezelf tijdens het lezen of zingen van de tekst opzweepte tot een staat van 'compassio', met een in azijn gedoopte spons voor een ultrarealistisch effect, om vervolgens onder Maria's hoede 'de hemelse vreugde deelachtig te worden'.
Het gebed werd in de vijftiende eeuw opgenomen in de misliturgie en vervolgens opgepikt door talloze componisten die ervoor zorgden dat het Stabat Mater uitgroeide tot een religieuze evergreen, vaak uitgevoerd rond Pasen. Best een prestatie, want het gebed is lichtelijk saai en monotoon. De bekendste uitvoering is die van Giovanni Battista Pergolesi (die het gebed in twaalf stukken verdeelde met elk een eigen muzikale gevoelswereld), maar ook grote namen als Joseph Haydn, Franz Schubert, Antonin Dvorák en Giuseppe Verdi hebben zich aan (iets minder geslaagde) versies gewaagd.
En hoewel de uitvoering van Pergolesi ronduit prachtig is, heb ik toch een groter zwak voor het Stabat Mater van Antonio Vivaldi, en dan vooral in de uitvoering van Ensemble 415 en counter tenor Andreas Scholl. Nu ben ik niet zo’n fan van counter tenors, maar wat Scholl laat horen is ronduit verbluffend. Vivaldi componeerde zijn versie in 1711 voor een religieus festival in het Noord-Italiaanse stadje Brescia. Hij had kennelijk nogal haast; de vioolpartijen zijn simpel gehouden, de muziek bevat veel herhaling en bovendien zijn niet alle strofen zijn op muziek gezet. Maar juist dankzij de 'kale' uitvoering, wint Vivaldi's versie aan diepte. Luister zelf: 'Stabat Mater' (320 kbps, 32 MB - een WeTransfer-link volgt zo snel mogelijk) uitgevoerd door Ensemble 415 en Andreas Scholl onder leiding van Chiara Banchini.
Toen muziekwetenschapper en uitgever Remo Giazotto (1910-1998) eind jaren vijftig nieuw werk van Tomaso Giovanni Albinoni (1671-1751) op het spoor kwam, was dat natuurlijk groot nieuws - zo vaak komt het immers niet voor dat het oeuvre van een beroemd barokcomponist wordt uitgebreid. In de door bombardementen grotendeels vernietigde archieven van de Saksische Staatsbibliotheek in Dresden had Giazotto een manuscript opgediept, dat deel zou hebben uitgemaakt van een nog niet bekende sonate. Erg omvangrijk was het niet: de compositie bestond uit slechts een baslijn en enkele maten voor de violen. Giazotto was bijzonder enthousiast en besloot om het werk af te maken. Hij kwam op de proppen met een trage, gedragen melodie, en voegde extra strijkers en een orgel toe.
Al direct zetten critici vraagtekens bij zijn ontdekking en orkestratie. Giazotto hield voet bij stuk en bleef bij zijn verhaal. Bovendien was zijn reputatie onomstreden: hij was uitgever van ‘Rivista musicale italiana’ (later ‘Nuova rivista musicale italiana’, een Italiaans kwartaalblad voor klassieke muziek), werkte als Hoofd Muziek bij de Italiaanse staatsomroep RAI en was hoogleraar muziekgeschiedenis aan de universiteit van Florence. Verder schreef hij een aantal doorwrochte biografieën over onder andere violist en componist Giovanni Battista Viotti en Antonio Vivaldi, en stond hij bekend als dé Albinoni-kenner bij uitstek, wiens oeuvre hij gedetailleerd in kaart bracht.
Het door Giazotto ontdekte stuk, bekend geworden als ‘Adagio in G-mineur voor orgel en strijkers’ of kortweg ‘Albinoni’s Adagio’, groeide in korte tijd uit tot een publieksfavoriet. De treurige, golvende muziek met violen die als gracieuze zeemeeuwen boven de golfslag van het aanzwellende orgel rondcirkelen, raakten de harten van miljoenen luisteraars en werd gebruikt in tal van films, series, commercials en noem het maar op. Het adagio schopte het in korte tijd tot de canon van de populaire klassiek muziek - geliefd maar ook verguisd door zijn zoete stroperigheid (een element waar overigens Mantovani enkele jaren later gretig mee aan de haal ging).
Enkele jaren voor zijn dood in 1998 biechtte Giazzotto op dat hij ‘Adagio in G-mineur’ inderdaad zelf had geschreven; het verhaal dat hij het onvoltooide werk na jaren research in 1958 wist op te sporen, had hij compleet uit zijn duim gezogen. Een grote verrassing was deze onthulling al niet meer: in 1990 bleek uit onderzoek, uitgevoerd door de bibliotheekmedewerkers zelf, dat de bibliotheek in Dresden nooit een dergelijk onvoltooid Albinoni-manuscript in zijn bezit had gehad. En zo is de vreemde situatie ontstaan dat Albinoni de geschiedenis is ingegaan dankzij ‘Adagio in G-mineur’, waarvan hij geen noot op papier heeft gezet.
Tal van artiesten hebben zich laten inspireren door het adagio. Sommigen hebben zich zelfs gewaagd aan een begeleidende tekst of aan metal-uitvoering, terwijl anderen wat dichter bij de bron bleven. In dit zipje (wisselende bitrate vanaf 192 kbps, 118 MB, hier een WeTransfer-link) vind je een flinke handvol varianten. De uitvoering van de Berliner Philharmoniker (onder leiding van Herbert von Karajan) klinkt zoals het adagio moet klinken, maar de versies van onder andere Ekseption, DJ Tiësto, Nana Mouskouri, Lara Fabian, Yngwie Malmsteen en The Doors laten een (soms wel heel!) afwijkend geluid horen...
Graaf Hermann Carl von Keyserling (de Russische gezant aan het hof van de Saksische keurvorst in Dresden) kon 's nachts maar moeilijk de slaap vatten. De meeste mensen drinken dan een glas warme melk of proberen wat te lezen, maar de graaf had een veel betere methode: hij maakte zijn huismuzikant Johann Gottlieb Goldberg wakker (een zeer begenadigde pianist van 14 die in de kamer naast hem sliep) en liet hem net zo lang ontspannen deuntjes op zijn klavecimbel spelen tot hij weer in slaap viel. En lukte dat niet, dan moest Goldberg de hele nacht door blijven pingelen terwijl Keyserling zo'n beetje lag te dommelen in bed. Na een tijdje was Goldberg door zijn repertoire heen en aangezien het met de slapeloosheid van de graaf niet opschoot, had hij behoefte aan nieuwe stukken.
Von Keyserling was goed bevriend met Johann Sebastian Bach, en de graaf besloot hem eind 1741 te vragen om enkele klavecimbelstukken te componeren ''met een rustig doch vrolijk karakter". Met andere woorden: wat ontspannen easy listening voor in de nacht. Bach stemde toe; de graaf had hem eerder geholpen aan een baantje aan het hof en dit was een mooie kans om zijn schuld in te lossen. Bach had er zich met een jantje-van-leiden vanaf kunnen maken door met een handvol lullige slaapliedjes op de proppen te komen, maar in plaats daarvan componeerde hij dertig verrassende variaties op een aria, vol technisch vernuft en innovatieve hoogstandjes – een meesterwerk.
Bach werd voor zijn werk beloond met een gouden bokaal gevuld met honderd Louis d'or – een fortuin in die tijd. Graaf Keyserling was in zijn nopjes met het stuk, en gaf het direct aan zijn huispianist, die het vervolgens nachtenlang en tot vervelens toe uitvoerde en het stuk tevens zijn naam gaf: de Goldberg-variaties. Luister naar een uitvoering door de Hongaars-Engelse pianist András Schiff (320 kbps vbr, 86 MB).
Vroeger duurde Kerstmis niet twee, maar twaalf dagen. En als vroom burger schoof je aan in de kerkbanken op de eerste, tweede en derde kerstdag, op nieuwjaarsdag, op de eerste zondag na Nieuwjaar en op Driekoningen (6 januari). Johann Sebastian Bach componeerde voor elk van deze dagen een cantate, die samen het wereldberoemde Weihnachtsoratorium vormen. Vandaag de dag worden deze steevast in één ruk uitgevoerd, maar eigenlijk was het de bedoeling om de cantates uit te smeren over een periode van bijna twee weken. En om een oude traditie nieuw leven in te blazen: op Araglin.nl vind je deze kerst de zes cantates van het Weihnachtsoratorium. Spaar ze allemaal!
Ik ben ietwat laat met de zesde cantate (de NS gooide vandaag grondig roet in het eten), maar beter laat dan nooit: hoog tijd dus voor 'Festo Epiphanias', oftewel Driekoningen. In deze cantate brengen de drie wijzen uit het oosten een bezoek aan Jezus, en vanzelfsprekend hebben ze iets voor de Baby meegenomen (goud, mirre en wierook – een pak luiers of een kruik zou praktischer zijn geweest, maar goed, het gaat om het idee). Koning Herodes is ook nog steeds op zoek naar Jezus (en niet met al te vriendelijke bedoelingen), maar gelukkig krijgen de drie wijzen via een droom te horen dat het beter is een andere route te kiezen. En zo komt alles toch nog goed. Want: wie zich onder de bescherming van Jezus stelt, is altijd veilig. Stichtelijke woorden inderdaad, maar zo waren ze vroeger.
In deze slotcantate maken diverse elementen uit het Weihnachtsoratorium nog één keer hun opwachting, zoals bijvoorbeeld de pauken en trompetten uit het eerste deel en de koormelodie van 'Herzlich tut mich verlangen'. Luister zelf (41 MB, 320 kbps – of via de nieuwe uploaddienst WeTransfer). Het Weihnachtsoratorium wordt uitgevoerd door het Combattimento Consort Amsterdam en Cappella Amsterdam onder leiding van Jan Willem de Vriend. Solisten zijn tenor Jörg Dürmüller, sopraan Malin Hartelius, alt Kristina Hammarström en bas-bariton Detlef Roth. Meer info vind je in deze entry.