Lange zit

Als je nu zou beginnen met luisteren, zou je op 2 juni klaar zijn. Het door Radiohead-frontman Thom Yorke geschreven nummer ‘Subterranea’ duurt namelijk maar liefst 432 uur. Yorke schreef het voor Stanley Donwoods tentoonstelling ‘The Panic Office’, die van 21 mei tot 6 juni te bezoeken was in galerie Carriageworks in het Australische Sydney. Een samenwerking die voor de hand lag; Donwood is een studievriend van Yorke en heeft voor Radiohead het bandlogo en nagenoeg alle albumcovers ontworpen (inclusief het Atoms for Peace-project). 

Tijdens de 18 dagen die de expositie was te bezichtigen, was ‘Subterranea’ constant te horen: ‘een beangstigende mix van ambient textures, experimentele geluiden en field recordings, waarbij de grot-achtige ruimte van de tentoonstelling optimaal wordt gebruikt”. Opmerkelijk is dat het nummer zich nergens herhaalt, hoewel ik niet kon achterhalen hoe Yorke precies aan het componeren is geslagen – misschien heeft hij om het zichzelf makkelijk te maken de hulp ingeroepen van computergestuurde algoritmes. Hoe het ook zij, het klinkt alleraardigst – hoewel de lol er na een minuutje of tien wel zo’n beetje af is. (Hier een preview van een aantal minuten.)

Er zijn geen plannen om ‘Subterranea’ officieel uit te brengen. Als dat wél zou gebeuren, zou het gaan om een cd-box met 351 cd’s (met 74 minuten muziek per cd) of een mp3’tje van 50 gigabyte (en een bitrate van 256 kbps). 

De langste song die officieel is uitgebracht, is overigens ‘To our yes’, gezongen door het Amerikaanse PC III label Pipe Choir en gecomponeerd door Mike Peters van The Alarm.. Dit nummer duurt 1 uur, 59 minuten en 54 seconden en werd op 16 august 2014 gelanceerd op onder meer iTunes en Google Play om geld op te halen voor de Love Hope Strength Foundation (die zich bezighoudt met kankerbestrijding). 

Maar ach, dit is allemaal een schijntje in vergelijking de compositie ‘Longplayer’ van Jem Finers, die begon op 1 januari 2000 en precies duizend jaar moet duren. Het stuk, dat gespeeld wordt op Tibetaanse klankschalen, herhaalt zich nooit, en wordt zowel door mensen als computers bediend. Via een live stream kun je altijd even checken hoe het er voor staat. 

Trouwens, cd’s en lp’s mogen dan een beperkte speelduur hebben, dat heeft sommige bands er niet van weerhouden om een geintje uit te halen. Op bijvoorbeeld het album ‘Penthouse and Pavement’ (1981) van Heaven 17 is de track 'We're Going To Live For A Very Long Time' te vinden. Dit laatste nummer van kant 2 was voorzien van een lus in de zogeheten zogeheten 'run-off'-groef, waardoor er, hoe toepasselijk, oneindig de zin ‘for a very long time’ klonk… 

Araglin | Zondag 14 Juni 2015 at 11:43 pm | weird, interessant | 2 reacties
Gebruikte Tags: ,

Smurfenlied

De bijna 80-jarige Pierre Kartner (oftewel Vader Abraham) mag dan miljoenen platen hebben verkocht, de laatste jaren komt hij eigenlijk vooral in het nieuws vanwege zijn gemopper. Gemopper over het feit dat Nederlandstalige muziek (beter gezegd: volkse muziek) niet op de radio wordt gedraaid, gemopper over de Nederlandse inzending voor het Eurovisie Songfestival, gemopper over dat hij niet serieus wordt genomen en ga zo maar door.

En daar zit wat in. Als zelfs je vrouw niet meer mee wil naar optredens en rode loper-aangelegenheden omdat je toch alleen maar kritiek krijgt (zoals ik las in een interview met De Stentor), zou ik zelf ook chagrijnig worden.

Maar hoe je het ook wendt of keert, de gloriedagen van Pierre Kartner liggen achter hem. In de jaren zeventig om precies te zijn. Hij scoorde een gigantische hit met het door hem geschreven ‘Huilen is voor jou te laat’ van Corry en de Rekels en was verantwoordelijk voor klappers als ‘De clown’ van Ben Cramer, ‘Manuela’ van Jacques Herb en Wilma’s ‘Zou het erg zijn lieve opa’. Met zijn ‘groep’ Vader Abraham en Zijn Zeven Zonen had hij een groot aantal carnavalshits en solo scoorde hij onder meer de wereldhits ‘Het Smurfenlied’ en ‘Het kleine café aan de haven’. Laatstgenoemde is onder de titel ‘The Red Rose Café’ uitgegroeid tot een wereldwijd meegezongen evergreen.

En misschien geldt dat ook wel voor ‘Het Smurfenlied’ (uit 1977). Het idee om een nummer op te nemen rond de blauwe stripfiguurtjes kwam van producer en Schlagerfestival-organisator Harry Thomas en Smurfen-bedenker Peyo. Het leek Thomas een goed idee om Dennie Christian als zanger in te schakelen, maar diens manager vond het maar een raar idee en wees het voorstel af. Na wat omzwervingen belandde Thomas uiteindelijk bij Kartner, die toezegde, maar alleen één voorwaarde had: hij wilde het zelf zingen.

Geen onverstandige beslissing, want ‘Het Smurfenlied’ werd dé hit van 1977 in Nederland en België. Ook in het buitenland scoorde het vrolijke, naïeve deuntje: in Duitsland stond Vader Abraham op één met zijn ‘Lied der Schlümpfe’, in Engeland bleef de ‘The Smurf Song’ steken op een niet onverdienstelijke tweede plek. Daarnaast nam Kartner versies op in onder andere het Frans, Spaans, Zweeds, Chinees en IJslands. Tijdens de uitreiking van de Buma Award 2015 werd bekendgemaakt dat van alle Smurfenlied-versies wereldwijd maar liefst 17 miljoen exemplaren zijn verkocht. Ongelooflijk.

Het verhaal gaat dat de versie van ‘Het Smurfenlied’ zoals we dat nu kennen, eigenlijk half af is. Kartner had zijn platenmaatschappij Dureo een demo gestuurd, zodat men het alvast kon beluisterden. Omdat een groot gedeelte van de tekst nog niet af was, barstte Kartner op het einde in een enthousiast en ellenlang ge-lalala uit - de definitieve tekst volgde later wel, zo was zijn gedachte. En natuurlijk werd deze lalala-versie (al dan niet per ongeluk) op single uitgebracht.

Overigens: op het succesvolle Smurfen-album ‘In Smurfenland’ dat in december 1977 in allerijl werd uitgebracht, draagt ‘het Smurfenlied’ de titel ‘Smurfenlied 1’ – er staat namelijk ook nog een ‘Smurfenlied 2’ op het album.

Araglin | Vrijdag 03 April 2015 at 11:50 am | weird | Reageer
Gebruikte Tags:

Kwek kwek

Afgelopen weekend bevond ik me in Rotterdam. In Wunderbar om precies te zijn, een soort Duitse Stube met een industriële vintage twist (inclusief verplaatsbare tafeltjes op rails en een winkelgedeelte waar onder meer lp’s werden verkocht). Ik voelde me er gelijk thuis, niet in de laatste plaats vanwege de muziek. Want terwijl we zo heen en weer reden aan onze tafeltjes, kwamen er nummers voorbij van Jean-Jacques Perrey, Donna Summer en Klaus Wunderlich. Op een gegeven moment schalde er een driftig gekwaak uit de speakers. “Wat is dit nu weer?” vroeg de goede vriendin met wie ik aan de gin zat. “Ronald en Donald”, was mijn antwoord. Ze lachte. “Waarom verbaast het me niet dat jij dit kent!?”

En om je geheugen op te frissen: in april 1974 was Nederland in de ban van de twee kleine gele eendjes Ronald en Donald. Hun eerste single 'Kwek kwek' bereikte de vierde plaats in de Top 40 en iedereen zong mee met dit onweerstaanbaar debiele nummer. En niet alleen in Nederland waggelden ze door de hitlijsten, ook Frankrijk en België waren niet veilig voor Ronald en Donald, die voor de gelegenheid in het Frans kwekten ('Couac Couac').

Achter deze hit school de Belg Eddy Govert (bij de burgerlijke stand bekend als Eddy Van Mouffaert), die zich in de jaren zeventig ontpopte tot een veelgevraagd arrangeur, tekstschrijver en producer. Hij werkte voor Johnny Hoes en diens Telstar-label (zo produceerde hij nummers voor Don Mercedes en de Zangeres Zonder Naam), en startte in de jaren tachtig een solocarrière als accordeonist en zanger (onder de namen Le Grand Julot en Eddy Govert). Midden jaren tachtig ging hij werken bij het Belgische label Scorpion en stond hij mede aan wieg van Publishing Group Deschuyteneer & Van Mouffaert, dat zou uitgroeien tot een van de grootste muziekuitgeverijen annex platenmaatschappijen van België.

In 1974 scoorde Govert tot zijn grote verrassing en met wat hulp van piratenzender Radio Mi Amigo een internationale hit met 'Kwek kwek'. In ijltempo sleutelde hij vervolgens een album in elkaar (met als vanzelfsprekende titel 'Kwek kwek'). En terwijl de single niet aan te slepen was, flopte het album gigantisch. Niet verwonderlijk, één nummer met gekwaak is nog best grappig, een hele lp (met nummers als 'Rock 'n' Roll Ducks', 'Duck Story' en 'Tomato Soup') is simpelweg te veel van het goede...

Araglin | Woensdag 11 Maart 2015 at 10:11 pm | weird | Reageer
Gebruikte Tags: , ,

Leonard Nimoy

Och. Wilde ik na een drukke werkweek even ontspannen door een stukje te tikken, blijkt dat acteur Leonard Nimoy vandaag (vrijdag 27 februari) op 83-jarige leeftijd is overleden. Eerder deze week werd hij opgenomen in het ziekenhuis wegens een chronische longziekte.

Nimoy werd wereldberoemd als Mr. Spock in de sciencefictionserie ‘Star Trek’ (en later ook in de diverse Star Trek-films). Maar natuurlijk was hij veel meer dan dat. Nimoy was regisseur (onder meer verantwoordelijk voor het succesvolle ‘Three Men and a Baby’ (1987) en The Bangles-clip ‘Going Down to Liverpool’) schreef gedichten en romans, fotografeerde en speelde in uiteenlopende films en series (met als recent hoogtepunt zijn rol als dr. William Bell in de SF-serie ‘Fringe’).

Spock op het witte doek mag dan wel rationeel en uitermate beheerst zijn, Nimoy zelf was een humoristische, maatschappelijk bewogen man die nuchter bleef onder zijn succes. Eind jaren zestig nam hij een aantal lp’s op waarop hij de draak stak met zowel Mr. Spock als zichzelf. Nimoy beschikte over een aangename bariton en ‘praatzong’ zich op een grappige manier door liedjes als ‘Highly illogical’ en ‘The Ballad of Bilbo Baggins’ (geschreven door Charles Grean), die werden gecompenseerd door lichtelijk tenenkrommende covers van ‘I walk the line’ en ‘Proud Mary’.

Na de lollige albums ‘Mr. Spock’s Music from Outer Space’ (1967) en ‘Two Sides of Leonard Nimoy’ (1968) sloeg Nimoy op ‘The Way I Feel’ (1968) en ‘The Touch of Leonard Nimoy’ (1969) een wat serieuzere weg in. Zijn laatste album is een allegaartje van voortkabbelende covers en een eigen nummer.

In tegenstelling tot collega-Trekkie en goede vriend William Shatner koesterde Leonard Nimoy geen al te grote muzikale ambities – hoewel hij wel beter zong – en bleef het bij dit bescheiden oeuvre. Meer informatie over de muziek van Nimoy vind je op de uitgebreide site The Musical Touch of Leonard Nimoy.

 He lived long and prosperous, safe journey Mr. Spock.

Araglin | Vrijdag 27 Februari 2015 at 9:50 pm | weird | 1 reactie
Gebruikte Tags: ,

Geluiden

Een week of wat geleden tikte ik een stukje over boomringen. Tijdens het schrijven dwaalden mijn gedachten af. Als je boomringen kunt omzetten in muziek, wat zou er dan nog meer mogelijk zijn? Muziek van overdrijvende wolken? Een symfonie van hondendrollen?

En terwijl ik zo aan het associëren was, moest ik denken aan iets wat ik ooit las. Belgische wetenschappers hadden een manier ontdekt om geluiden uit gebruiksvoorwerpen van klei te halen. Volgens de onderzoekers waren de geluiden door de pottenbakdraaischijf in de klei ‘gegrift’ en met de juiste technieken ‘af te spelen’. Ze waren aan de slag gegaan met een potje van enkele duizenden jaren oud. Het intrigerende resultaat? Eeuwenoud geklets onder werktijd in een Egyptische pottenbakkerij.

Ik wist alleen niet meer zo goed waar ik dit precies had gelezen of gezien - het zou net zo goed een aflevering van Star Trek geweest kunnen zijn. Helaas wist Google me al binnen een paar seconden uit de droom te helpen. Het ging om een 1 aprilgrap uit 2006 van een Belgische omroep, dat een geheel eigen leven is gaan leiden.

Het uitgangspunt was niet nieuw. Zo gebruikte de Amerikaanse sciencefictionschrijver Gregory Benford dit gegeven in een kort verhaal (‘Time Shards’) en draaiden afleveringen van The X-Files (‘Hollywood A.D.’) en CSI: Crime Scene Investigation (‘Committed’) rond dit thema. Jamie Hyneman en Adam Savage van The Mythbusters sloegen aan het experimenteren, maar slaagden er niet in om ook maar het geringste geluidje uit een potje van klei te krijgen.

Grasduinend op het internet stuitte ik op het project van James Murphy (die je misschien kent van LCD Soundsystem), die tenniswedstrijden op muziek heeft gezet. De wedstrijden van de afgelopen US Open om precies te zijn. Dit klinkt saaier dan het is, want Murphy gebruikt door IMB verzamelde ruwe data over de spelers en hun prestaties om een algoritme te genereren waarmee iedere tennismatch verandert in een unieke track.

De ‘kale’ tracks klinken als een computerspelletje uit de jaren tachtig, maar dat verandert zodra Murphy er wat effecten overheen drapeert. Het eindresultaat verscheen afgelopen december onder de noemer ‘Remixes Made With Tennis Data’ en is onder meer te streamen via SoundCloud. Geinig.

Araglin | Maandag 05 Januari 2015 at 11:23 pm | interessant, weird | Reageer
Gebruikte Tags: , ,

Boomspeler

De jaarringen van een boom geven informatie over zijn leeftijd en de omstandigheden waarin hij groeide. Door de ringen te bestuderen is bijvoorbeeld te achterhalen of het in een bepaalde periode veel of weinig heeft geregend, of de boom een ziekte onder de leden heeft gehad en of er een bosbrand heeft gewoed. Je ‘leest’ een boomring van binnen naar buiten. Lichtgekleurde ringen wijzen op een periode van snelle groei (de zomer), terwijl donkere ringen staan voor de winterperiode. Hoe ouder de boom, hoe meer informatie de ringen bevatten.

Interessant, nietwaar? Maar voordat ik mezelf helemaal verlies in dendrochronologie (jawel!), ik kom hierop dankzij Bartholomäus Traubeck. Deze Oostenrijkse kunstenaar en grafisch ontwerper heeft een ‘boomspeler’ in elkaar geknutseld waarmee je boomringen kunt afspelen. Traubecks platenspeler werkt niet met een naald, maar gebruikt sensoren die informatie verzamelen over de jaarring: de kleur van het hout, de textuur en de dichtheid van de ringen. Een algoritme zet deze data vervolgens om in (piano)noten. Elke boom is uniek, dus elke jaarring levert andere muziek op.

Traubeck ontwikkelde de boomspeler in 2011 en bracht in augustus 2013 enkele (gelimiteerde) 12-inches uit, die nog altijd verkrijgbaar zijn (hier en hier). Het album ‘Years’ bevat muziek gemaakt door onder meer een eikenboom, een spar, een esdoorn en een els. Het klinkt interessant en eigenaardig – en helemaal als je van experimentele pianomuziek houdt.

Hier een uitgebreid interview over het Years-project en voor wie de smaak te pakken heeft gekregen, op zijn site is nog veel meer geinigs te vinden. Zoals twee gitaren die met elkaar communiceren, een uit elkaar getrokken stuk van Bach en een sample-kunstwerk rond ‘Good Vibrations’ van de Beach Boys. 

Araglin | Vrijdag 19 December 2014 at 11:39 pm | weird, interessant | Reageer
Gebruikte Tags: , ,

Kerst met Christopher Lee

Na een week vol drukte en afspraken was ik wel weer even toe aan een ontspannen weblogstukje. En dat bleek een stukje over vinylverkopen – waar ik manmoedig aan was begonnen - niet te zijn. Halverwege het tikken dwaalden mijn gedachten af, begon ik zachtjes ‘Driving Home For Christmas’ te neuriën en opeens dacht ik: hee, heeft Christoper Lee dit jaar eigenlijk weer een kerstliedje gemaakt? En jawel! De inmiddels 92-jarige acteur heeft voor het derde achtereenvolgende jaar een toepasselijk liedje uitgebracht. Deze keer is dat ‘Darkest Carols, Faithful Sing’, een metalvariant op ‘Hark! The Herald Angels Sing’.

Inderdaad, metal. Want Lee is al sinds een jaar of tien een enthousiast liefhebber van het stevige gitaarwerk. Zo werkte hij samen met Italiaanse symfonische metalformatie Rhapsody en het Amerikaanse Manowar. Na een album met covers verscheen in 2010 ‘Charlemagne: By the Sword and the Cross’, een soort… heavy metal-hoorspel-opera, gevolgd door het wat ruigere ‘Charlemagne: The Omens of Death’ (2013). Om zijn 93ste verjaardag luister bij te zetten, bracht Lee in mei dit jaar het mini-album ‘Metal Knight’ uit, waarop de acteur klassiekers als ‘My Way’, ‘The Toreador March’ en ‘The Impossible Dream’ van een metaljasje voorziet.

Maar goed, kerstliedjes dus. In december 2012 zag ‘A Heavy Metal Christmas’ het licht (met ‘The Little Drummer Boy’ en ‘Silent Night’) en een jaar later ‘A Heavy Metal Christmas Too’ (met ‘Jingle Hell’ en ‘My Way’). De single ‘Jingle Hell’ belandde in de Billboard Hot 100 (op een niet onverdienstelijke 18e plek), waardoor Lee de oudste, nog levende artiest is die ooit in deze Amerikaanse hitlijst heeft gestaan. En deze week verscheen ‘Darkest Carols, Faithful Sing’, dat lekker doorrockt inclusief heerlijke gitaarsolo’s van de fantastische Hedras Ramos en natuurlijk de sonore basstem van Christopher Lee.

“Het is een vrolijk, grappig liedje. Op mijn leeftijd is het belangrijkste om actief te blijven en dingen te doen die ik écht leuk vind. Ik weet niet hoe lang ik nog op deze aardbol rondloop, dus elke dag is een feestje.” Aldus Lee, ook wel bekend als Saruman uit de Lord of the Rings-trilogie, graaf Dracula en vele, vele andere epische rollen. Heerlijke vent. ‘Glory to the metal kings!’

Araglin | Vrijdag 12 December 2014 at 12:40 am | weird | Reageer
Gebruikte Tags: , , ,

Mick Jagger en de Moog

In 1967 brachten de Rolling Stones hun eerste en enige psychedelische album uit. 'Their Satanic Majesties Request' werd gepresenteerd als het antwoord op 'Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band' van de Beatles, dat een paar maanden eerder was verschenen.

Maar waar de Beatles met een ontegenzeggelijk meesterwerk op de proppen kwamen, was 'Their Satanic Majesties Request' een bizar allegaartje van Afrikaanse ritmes, Mellotrons, kampvuurliedjes en kunstig gearrangeerde ballads. O, en vergeet vooral niet de prachtige hoes met onder andere een als tovenaar uitgedoste Mick Jagger.

Het album flopte – niet in de laatste plaats omdat de fans niet zo goed wisten wat ze ermee aan moesten. (Ik schreef er eerder een uitvoerig verhaal over.) De daaropvolgende lp (‘Beggars Banquet’ uit 1968) liet weer een vertrouwd geluid horen en tot zover de psychedelische experimenten van de Stones.

Maar. Er is altijd een maar, nietwaar? Volgens de overlevering had Mick Jagger speciaal voor de opnames van 'Their Satanic Majesties Request' een heuse Moog-synthesizer gekocht; met in zijn achterhoofd de gedachte het instrument te gebruiken om weirde, buitenaarde geluidseffecten te creëren. Het kwam er echter niet van en de Moog belandde op Jaggers zolder.

Ergens in 1968 kwam Jagger in contact met regisseur Kenneth Anger, die probeerde de korte film ‘Lucifer Rising’ (ook daar schreef ik eerder over) van de grond te krijgen. Toen dat niet helemaal volgens plan verliep, besloot Anger om wat anders te maken: het elf minuten durende ‘Invocation of My Demon Brother’ (1969), dat naar verluidt bestond uit aan elkaar gemonteerde scènes van ‘Lucifer Rising’.

‘Invocation of My Demon Brother’ is een bijzonder vreemde film. En dat is nog zacht uitgedrukt. Surrealistische beelden van halfnaakte mensen die zitten te blowen uit een schedel worden afgewisseld met fragmenten van een satanisch ritueel. Kenneth Anger zelf is te zien als ‘the Magus’, die driftig met een Nazi-vlag aan het wapperen is en een boek van Aleister Crowley verbrandt. Satan verschijnt uiteindelijk ten tone: gestalte gegeven door niemand minder dan Anton Szandor LaVey, de omstreden oprichter van de Church of Satan. Daarna volgen beelden van een Stones-optreden, een soldaat uit de Vietnam-oorlog en muzikant/acteur Bobby BeauSoleil die ook als satan figureert. Met BeauSoleil liep het later overigens heel slecht af – hij zit nog altijd in de gevangenis (zie elders op mijn log).

Deze brij aan desoriënterende beelden wordt vergezeld door rare elektronische muziek, gespeeld door... Mick Jagger, die speciaal voor Kenneth Anger zijn Moog weer onder het stof vandaan had gehaald. Volgens de regisseur speelde Jagger de ‘soundtrack’ in één sessie in. Bovendien was het de eerste keer dat de Stones-zanger überhaupt met de Moog aan de slag ging. De zenuwachtige noise blijkt wonderwel samen te gaan met de demonische trip die Anger de kijker voorschotelt.

‘Invocation of My Demon Brother’ is nog altijd een monument van weirdheid, een duister testament van de late jaren zestig, toen bleek dat Summer of Love ook zo zijn schaduwkanten had.

Jagger bleef intussen stug dooroefenen op zijn Moog. In 1970 maakte hij zijn acteerdebuut in de film ‘Performance’ van regisseurs Donald Cammell en Nicolas Roeg. Het was de bedoeling dat de Rolling Stones de soundtrack zouden verzorgen, maar na een hoopoplopende ruzie tussen Mick Jagger en Keith Richard over Anita Pallenberg (destijds de vrouw van Richard én de hoofdrolspeler in de film) werd dit plan de nek omgedraaid.

Gelukkig hebben we de beelden nog. In een promofilmpje voor ‘Performance’ zien we Jagger achter zijn Moog zitten, terwijl hij schalks in de camera kijkt (vanaf ongeveer 1:48 minuut). Het wachten is nog altijd op een compleet instrumentaal album van Mick…

Araglin | Maandag 01 December 2014 at 11:22 pm | weird, Standaard | Reageer

Zingende komeet

Een beetje lullig is het wel. Na een ingewikkelde reis van vele miljoenen kilometers landde ruimtevaartuigje Philae na tien jaar op de komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko. Precies op de plek waar hij moest zijn, maar jammer genoeg bleek het oppervlak niet stabiel. De komeetlander stuiterde een paar keer en kwam uiteindelijk tot stilstand op twee van zijn drie ‘pootjes’, waardoor hij zichzelf niet kon verankeren. Bovendien was Philae in een schaduwrijke kuil getuimeld, waardoor zijn zonnepanelen niet genoeg licht kunnen opvangen en hij het moest doen met wat er nog in zijn ‘accu’ zat. En dat was niet bijster veel.

Gelukkig slaagde Philae erin om alle verzamelde gegevens via het om de komeet cirkelende ‘moederschip’ Rosetta door te sturen naar de aarde. Het wachten is nu op meer zonlicht, zodat de uit de kluiten gewassen koelkast weer tot leven kan komen. De komende maanden wordt de afstand tussen de komeet en de zon kleiner en neemt de intensiteit van het zonlicht toe – laten we de moed dus nog niet opgeven.

En terwijl we wachten op een teken van leven, is het misschien aardig om te luisteren naar komeet 67P/Churyumov-Gerasimenko. Want al in augustus werd het geluid van de komeet opgepikt door de European Space Agency (ESA), toen Rosetta het hemellichaam op honderd kilometer was genaderd. De komeet heeft een frequentie tussen de 40 en 50 millihertz; dit is onhoorbaar voor het menselijk oor, want die neemt alleen toonhoogten tussen de 20 hertz en 20 kilohertz waar. Wetenschappers hebben de trillingen vanuit het magnetische veld van de komeet omgezet naar een ‘menselijke’ frequentie en dit tienduizend keer versterkt.

Het geluid wordt veroorzaakt door de activiteit van de komeet. Neutrale atomen (zonder elektrische lading) belanden in de ruimte waar ze elektrisch geladen worden door een proces dat ionisatie heet. Hoe een en ander precies in werkt, is men nog aan het uitzoeken.

Maar hoe klinkt het? Nou in ieder niet zoals Kraftwerk ooit liet horen op ‘Autobahn’ (1974). Het heeft meer weg van een… tja, op hol geslagen kosmische elektrische tandenborstel. Of nog beter gezegd: als een ‘Woodpecker From Space’ (1984). En zo blijkt Peter Slaghuis met terugwerkende kracht over profetische gaven te hebben beschikt...

Maar even zonder gekheid, het klinkt dus zo:

Araglin | Dinsdag 25 November 2014 at 10:58 pm | weird | Reageer
Gebruikte Tags: , ,

Interplanetary Folk

In 1973 organiseerde het Brooklyn Museum een expositie over de Dogon-stam uit Mali. Centraal stonden de vreemde en buitenissige sculpturen van deze eeuwenoude Afrikaanse stam, die te maken hadden met hun complexe religieuze en astronomische theorieën. Deze astronomische kennis zou in een ver verleden door bezoekers van de ster Sirius aan de mensheid zijn overgedragen en door de Dogon van generatie op generatie doorgegeven. Deze buitenaardse wezens werden Nommos genoemd; visachtige menswezens, met zwemvliezen en schubben.

De Dogon beschikten over kennis waarvan wetenschappers destijds stijl achterover sloegen. Dat Jupiter bijvoorbeeld over vier (met het blote oog onzichtbare) manen beschikt of dat Sirius wordt vergezeld door de (eveneens onzichtbare) witte dwergster Sirius B en de bruine dwergster Sirius C (bijgenaamd Emme Ya).

Over het feit hoe de Dogon dit allemaal precies konden weten, verschillen de meningen (hoewel de sceptici de overhand lijken te hebben), maar fascinerend is het zeker. Dat vond ook Craig Leon, die vol verbazing rondliep in het museum en alle indrukken als een spons in zich opzoog. Fast forward naar eind jaren zeventig. Leon had zich inmiddels ontwikkeld tot een succesvol en veelgevraagd punk- en new wave-producer, die betrokken was bij de baanbrekende debuutalbums van onder anderen Blondie, Richard Hell, Suicide en de Ramones.

In 1979 ontmoette hij Denny Bruce (de producer/manager van Leo Kottke) en John Fahey, die op hun Takoma-label een album hadden uitgebracht waarop ze een alternatieve Amerikaanse geschiedenis ten gehore brachten. Dat bracht Leon op een idee. Geïnspireerd door de Dogon-expositie besloot hij samen met zijn vrouw Cassell Webb muziek te maken die de vreemde wereld van de Nommos tot leven zou brengen. Het stel ging aan de slag met een Roland Jupiter-4, ARP 2600, Oberheim OB-X en een prototype van de drummachine die later door Roger Linn geperfectioneerd zou worden.

Lees meer »

Araglin | Woensdag 12 November 2014 at 8:10 pm | weird, elektronisch | Reageer