Je hebt muziek om de afwas bij te doen, muziek om op te dansen, bij in slaap te vallen, bij weg te dromen, je aan te ergeren, muziek om luidkeels mee te blèren en noem het allemaal maar op. En dan heb je nog muziek die bedoeld is om naar te luisteren. Echt te luisteren dus, zonder tegelijkertijd even je mail te checken, je goudvissen te voeren of je teennagels bij te knippen. Muziek waarover is nagedacht.
Zoals ‘Convergence’, het nieuwe album van Machinist (oftewel de Utrechtse kunstenaar en muzikant Zeno van den Broek, lees hier het interview dat ik eerder met hem had), verschenen op Narrominded / Betontoon. Niet dat – pak ‘m beet – Rihanna niet over haar muziek nadenkt, maar het lijkt me geen pretje om heel geconcentreerd haar nieuwste album uit te zitten. ‘Convergence’ is andere koek. Het album bestaat uit één track van 34 minuten, live opgenomen op 19 november 2011 in Amsterdam.
Het begint rustig, met wegstervende pianoklanken en elektronische effecten, die langzaam maar zeker gezelschap krijgen van noiseklanken en een aanzwellende zoemtoon - het audio-equivalent van een industriële bouwlamp. Deze geluiden ebben na verloop van tijd weg, om plaats te maken voor natuurgeluiden: regen, wind, getjilp van vogels. En net als je er lekker inzit, wordt het vervolgens licht oncomfortabel met witte ruis en sinusgolven, waarna pianoklanken en effecten je weer begeleiden naar het beginpunt.
Het klinkt wellicht niet heel spannend allemaal, maar tijdens het luisteren is het alsof om je heen de muren verdwijnen, je even onbeschut (puur bijna) in de wereld staat, waarna de woonkamer weer vanaf de grond wordt opgebouwd. Een scheppingsverhaal in geluid. En hoewel Zeno van den Broek op zijn vorige albums ‘of what once was’ (2011) en ‘Viens Avec Moi Dans Le Vide’ (2010) eveneens vanuit een bepaald idee uitging en dat secuur uitwerkte, voelt het alsof ‘Convergence’ pas écht een conceptalbum is: het samenkomen van geluid en ruimte.
Het is aan jou: je teennagels knippen met Rihanna of stilzitten en de diepte in met Zeno.
Zeker drie generaties zijn opgegroeid met muziek van de componist en pianist Joop Stokkermans, die op 25 oktober op 75-jarige leeftijd overleed.
In de jaren zestig schreef en componeerde hij diverse inzendingen voor het Eurovisie Songfestival (waaronder ‘Katinka’ voor De Spelbrekers en ‘Morgen’ voor Ronnie Tober), hoewel deze eigenlijk stuk voor stuk flopten. Meer succes had hij met zijn muziek voor jeugdseries als ‘Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen’ (1972), ‘Ti-ta-tovenaar’ (1972), ‘Q & Q’ (1974) en ‘’De Bereboot’ (1976).
Daarnaast componeerde hij hits voor D.C. Lewis (‘Mijn gebed’), schreef hij muziek voor uiteenlopende musicals en was hij actief in de reclamewereld. Stokkermans was verantwoordelijk voor de deuntjes van onder meer Kips Leverworst (‘Liever Kips Leverworst’), Douwe Egberts Koffie (‘Altijd weer een gezellig moment’) en Venz Hagelslag (‘Het hagelt, het hagelt’). (Een behoorlijk compleet overzicht van Stokkermans’ bijzonder lijvige oeuvre vind je hier.)
Tussen alle bedrijven door vond Stokkermans ook nog de tijd om enkele solo-albums op te nemen: ‘The Magic Of The ARP Synthesizer’ (1970), ‘Eternal Cycle’ (1976), ‘Hommage’ (1982) en ‘Idylle’ (1997). Niet al te schokkende albums waarop de Hilversumse componist bekende klassieke stukken van onder anderen Bach, Beethoven, Mozart en Satie onder handen nam en voorzag van een easy listening-sausje.
Het opvallendst is zijn solodebuut ‘The Magic Of The ARP Synthesizer’. Stokkermans en programmeur Roddy de Hilster leefden zich voor dit album uit op een modulaire ARP 2002. De bewerkingen van Bach, Burt Bacharach, Gilbert Bécaud en Tsjaikovski zijn alleraardigst, hoewel ze vooral door de arrangementen van orkestleider Bert Paige wel wat braafjes klinken. Het leukste zijn de vier eigen composities van Stokkermans, die zich kunnen meten het werk van synthesizerpionier Jean-Jacques Perrey. Het is jammer dat Stokkermans in de jaren die zouden volgen niet wat meer met het elektronische genre heeft gestoeid – ik vraag me wat er zou zijn gebeurd als hij in de weer zou zijn gegaan met bijvoorbeeld een Moog Modular…
Maar goed, luister zelf: ‘The Magic Of The ARP Synthesizer’ (320 kbps, link is beperkt houdbaar). En vergeet vooral niet de achterkant van de lp-hoes te lezen, waarop je een bijzonder uitgebreid (en enigszins kazig) introductieverhaal vindt over ‘dit magische apparaat’. Want: ‘[…] tenslotte moeten wij met z’n allen leven in die wereld van vandaag, dus ook in die wonderlijke wereld van de ARP-Synthesizer.’
Ik stopte. Ik stopte met waar ik mee bezig was om goed te kunnen luisteren. Als ik op dat moment in een auto zou hebben gereden, zou ik in ademloze vervoering mijn wagen langs de kant van de weg hebben gezet. Maar nee, ik was thuis en bezig met de afwas. Ik schudde het schuim van mijn handen, liep naar mijn pc en checkte welk nummer werd afgespeeld. ‘Roam’ van Cosmo V. Het klonk ogenschijnlijk simpel: een echoënde gitaarrif, een pulserend hartslagritme, rammelende synths en een ijle, etherische vrouwenstem. Bezwerend.
In het mapje ‘Nog te beluisteren’ stonden nog drie nummers van Cosmo V, afkomstig van de EP V: lo-fi elektronica met intrigerende fluisterzang en heel veel sfeer en melancholie. Ik plaatste een linkje naar de EP op mijn Facebook-pagina, typte er een lyrische commentaarregel bij, luisterde V vijf keer achter elkaar en maakte toen de afwas af.
De volgende dag bleek Cosmo V te hebben gereageerd: ‘Leuk dat je mijn EP hebt gepost! Thanks!’ We sloegen aan het Facebooken. Cosmo V bleek het alter ego te zijn van Cosmo Luhulima, een 23-jarige studente uit Utrecht. Ze was enthousiast, ik was fan, één en één is twee en een paar weken later dronk ik samen met een lichtelijk nerveuze Cosmo een biertje in haar knusse zolderappartement aan de Hopakker.
Cosmo’s muziek roept associaties op met de muziek van Cocteau Twins, Cranes, Eklin, Warpaint... Hoe zou ze zelf haar muziek omschrijven? Cosmo Luhulima: “Ik noem het ‘bedroom pop’, omdat ik in het in mijn woon- en slaapkamer heb gemaakt. Ik moet eerlijk zeggen dat de artiesten die je noemt me niet zoveel zeggen; ik ben beïnvloed door van alles, het minimalistische van garagerock, Franse zuchtmeisjes, schrijvers als Charles Bukowski en uiteenlopende artiesten als Nico en Nirvana.’’
[Gelezen in NRC Handelsblad, 26 april 2011, geschreven door Pieter Steinz.] Over de geschiedenis van kernrampen vallen dikke boeken te schrijven, maar het kan ook in een liedje van zeven minuten, zo bewezen de Duitse synthesizertovenaars van Kraftwerk.
In 1991 bewerkten ze het zestien jaar oude titelnummer van hun lp Radioaktivität voor de moderne tijd. Het dansbare, hypnotiserende nummer met de moralistische tekst (‘Stoppt Radioaktivität / weil’s um unsere Zukunft geht’) kreeg een nieuw intro. Na een opeenvolging van morsepiepjes die een geigerteller lijken, volgt een angstaanjagende declamatie van dieptepunten uit de geschiedenis van de kernenergie.
Het begint met ‘Tscher-no-byl’ (destijds nog maar vijf jaar geleden) en vervolgt met ‘Har-ris-burg’ (het ongeluk in het koelsysteem van de centrale op Three Mile Island, 1979), ‘Sel-la-field’ (brand in de opwerkingsfabriek aan de Ierse Zee, 1957) en natuurlijk ‘Hi-ro-shi-ma’ (het afgooien van de eerste atoombom, 1945). Metrisch klopt dat helemaal: alle plaatsen die getroffen zijn door kernrampen of -ongelukken hebben drie of vier lettergrepen in hun naam en – nog veel belangrijker – twee klemtonen. ‘Fu-ku-shi-ma’ laat zich perfect in de Kraftwerkhit inpassen.
Toeval ongetwijfeld, maar zoals de Engelsen zeggen: better be safe than sorry. Voor ‘Do-de-waard’ hoeven we in Nederland niet meer bang te zijn, de kerncentrale daar is in 1997 gesloten. Maar ‘Bors-se-le’ blijft een veiligheidsrisico voor iedereen die niet in een Kraftwerkliedje wil eindigen.
Al vrij snel ontdekte ik dat op de radio slechts het topje van de muzikale ijsberg werd gedraaid. Probleem was alleen: hoe kom je die andere muziek op het spoor? Van de Hitkrant en MuziekExpress werd ik niet veel wijzer en van Oors Popencyclopedie had ik destijds nog nooit gehoord.
Hoezen bleken een goede graadmeter: een onheilspellende wereldbol, een buitenaards landschap en een ehh.. tja, wat was het? Een of andere stekker? Tijdens het luisteren bleek ik 'Dervish D.' al te kennen: het was het thema van 'Wondere Wereld' van Chriet Titulaer. Prachtig! 'Spiral' opende mijn deur naar de toekomst.
Het zag er op papier meer dan veelbelovend uit: Dr Alex Paterson van The Orb en Pink Floyd-gitarist/zanger David Gilmour die samen een album maken. Dat kon niet anders dan een meesterwerk opleveren. Het resultaat, het vorig jaar verschenen 'Metallic Spheres', viel echter behoorlijk tegen. En dat kwam vooral omdat het geen échte samenwerking was: Gilmour was een middagje op bezoek geweest bij Paterson en had een uurtje of wat zitten jammen op zijn gitaar. Deze sessie werd door Paterson later behoorlijk door de elektronische mangel gehaald. Hij sloeg vrolijk aan het knippen en plakken en zette alles vervolgens min of meer achter elkaar. 'Metallic Spheres' is weliswaar geen slecht album, maar het wachten is nog altijd op de ultieme samenwerking tussen beide psychedelische grootheden.
En tot het zover is, is 'Early Water' van Michael Hoenig en Manuel Göttsching bijzonder goed studiemateriaal. In het najaar van 1976 besloten Hoenig (die een jaar eerder deel had uitgemaakt van Tangerine Dream - elders op mijn log meer info) en Göttsching (de drijvende kracht achter het legendarische Ash Ra Tempel, hier meer info) namelijk eens een nachtje samen te gaan jammen. Hoenig concentreerde zich voornamelijk op zijn Moog en Oberheim, terwijl Göttsching hoofdzakelijk aan het experimenteren sloeg met zijn Gibson-gitaar en een Revox A77-taperecorder.
Het resultaat lag bijna twintig jaar op de plank, totdat Hoenig in 1995 besloot de oude opnamen af te stoffen en uit te brengen - naar eigen zeggen omdat hij aangenaam verrast was door het hoge niveau van de jamsessie. En inderdaad: de sequencers pulseren en brommen dat het een lieve lust is, de uitwaaierende gitaarakkoorden en -solo's spiralen en echoën alsof het niets kost en heel subtiel wordt af en toe het tempo opgevoerd. Een weldadig kosmisch synthesizerbad van bijna vijftig minuten, gefundenes Fressen voor wie - net zoals ondergetekende - nog altijd een groot zwak heeft voor bijvoorbeeld Klaus Schulze's 'Timewind' (1975) of 'New Age of Earth' (1976) van Ashra.
Het voert te ver om 'Early Water' te bestempelen als een miskend of vergeten meesterwerk, bijzonder aangenaam is het allemaal wel. Luister zelf (320 kbps, 92 MB - via WeTransfer).
Ik was begin jaren tachtig nog maar een klein ventje en begon net een beetje naar de Top 40 te luisteren. In de platenkast van mijn vader stuitte ik op 'Oxygène', het debuutalbum van Jean Michel Jarre uit 1977. De lp klonk als niets dat ik ooit had gehoord: vervreemdende, golvende elektronische muziek, vol met spacy geluiden.
Toen ik een week of wat later een kungfufilm met Jackie Chan zat te kijken, kwam tot mijn verbazing opeens het nummer 'Oxygène part II' voorbijzetten. De conclusie was snel getrokken: Jean Michel Jarre is cool! En dat vind ik eigenlijk nog steeds.
Ik stel me zo voor dat Tangerine Dream-opperhoofd Edgar Froese eind 1983 na een concert in Berlijn aan de praat raakte met Frank Klare en Mirko Lüthge, twee vrienden met een passie voor elektronische muziek. Toen Klare op een gegeven moment vertelde dat Mirko en hij ook muziek maakten, maar dat al die synths wel erg duur zijn, bromde Froese instemmend. Hij krabde peinzend in zijn snor en zei: ''Als jullie echt serieus zijn, heb ik misschien wel een interessant voorstel…''
De tijden dat de Tangerine Dream-leden in de weer waren met loodzware modulaire synths liepen namelijk ten einde. Het MIDI-protocol deed zo rond 1983 zijn intrede en maakte het mogelijk om makkelijk (elektronische) instrumenten op elkaar aan te sluiten. En Froese zag deze nieuwe technologie helemaal zitten. Bovendien wilde hij een andere muzikale richting op; de jaren zeventig stonden weliswaar in het teken van lange, uitwaaierende sequencerschetsen, in de jaren tachtig moest het puntiger en compacter. En om een lang verhaal kort te maken: Klare en Lüthge mochten voor een zacht prijsje een groot aantal synthesizers overnemen. En dan geen lullige apparaatjes, maar logge analoge bakbeesten als de Roland 100M Modular System, Korg MS-Modular, ARP Odyssey, Minimoog, Roland Juno 60/106 en de Moog Prodigy.
Frank Klare en Mirko Lüthge sleepten alles naar zolder en sloegen aan het experimenten. Onder de noemer SynCo (oftewel Synthesizer Cooperation) werden drie cassettes uitgebracht 'Kaskade' (1985), 'Synthasia' (1986) en 'Motodrom' (1987), gevuld met (logischerwijs) nogal Tangerine Dream-eske elektronische muziek. Sterker nog: als je je ogen dichtdoet en een lang sequencernummer opzet, hoor je nauwelijks verschil. Dit in tegenstelling tot de kortere, ritmische tracks, die een stuk vrolijker (en ook wat oppervlakkiger) klinken dan de muziek van hun helden. Diverse tracks van deze cassettes (aangevuld met nieuwe nummers) verschenen later op de cd's '85-89' (1989), 'Evolution of Events' (1991) en 'Reincarnation In A Superior System' (1993). Typische muziek in de Berliner Schule-traditie, gekoesterd door slechts een kleine groep liefhebbers. In 1993 viel Synco uit elkaar, waarna Frank Klare een bloeiende en zeer productieve solocarrière op poten zette.
Luister naar een dwarsdoorsnede uit het Synco-oeuvre (320 kbps, 99 MB - hier een WeTransfer-link), met als hoogtepunt het epische, bijna een half uur durende 'Synthasia (concert version)'. Verplichte kost voor wie zijn elektronische muziek graag zo analoog en uitgesponnen mogelijk krijgt opgediend… Meer luisteren? Surf naar mailorder Groove.nl om een cd'tje te bestellen!
Dirigent en componist Eberhard Schoener (1938) staat bekend als een van de meest innovatieve Duitse muzikanten van zijn generatie. Hij mengt klassiek met rock, elektronica met volksmuziek, opera met jazz, schreef de eerste internetopera 'Virtopera' – kortom, als er iemand moeilijk in een hokje is te stoppen, dan is hij het wel.
Hoewel Schoener misschien wel het meest bekend is als componist van muziek voor Duitse series als 'Das Erbe der Guldenburgs', 'Der Alte', 'Derrick' en 'Siska', timmert hij al sinds de jaren zestig aan de weg met tal van projecten, zonder zich aan genre-grenzen te storen. Hij was de eerste met een Moog-synthesizer in Duitsland ("Da kamen die Rocker zu mir, um sich das Ding erklären zu lassen'') en ik ken hem vooral dankzij zijn baanbrekende albums uit de jaren zeventig.
Toen Enigma-opperhoofd Michael Cretu nog op de middelbare school zat, gebruikte Schoener al gregoriaanse koorstukken in combinatie met pop. Lp's als 'Meditation' (1973)'Windows' (1974) en 'Bali Agung' (1976) zijn te beschouwen als wereldmuziek avant la lettre en nog steeds net zo grensverleggend als toen. Reden voor dit stukje is echter de lp 'Trance-Formation' uit 1977, een enigszins vergeten mijlpaal in de geschiedenis van de elektronische muziek. Schoener riep voor dit album de hulp van het Tölzer Knabenchor, een Aziatisch monnikenkoor, een compleet orkest en diverse gastmusici (onder wie Police-gitarist Andy Summers) - allen gebundeld onder de noemer 'the secret society'.
Het resultaat is bijzonder intrigerend; openingsnummer ''Falling in Trance'' vermengt bijvoorbeeld Latijnse klanken met een pulserend ritme, terwijl het ruim 12 minuten durende titelnummer niet zou misstaan op een avant-gardistische verzamelaar: elektronische klanken zwellen aan, het jongenskoor wordt door de sampler gehaald, een manisch kerkorgel rommelt in de verte, de elektrische gitaar van Summers scheurt en knarst en terwijl zangeres Mary Gregory in de beste Diamanda Galás-traditie woordeloze kreten uitstoot zet Schoener zijn Moog aan... 'Trance-Formation' is dertig jaar na dato nog net zo bijzonder als toen. Luister zelf (89 MB, 320 kbps – een formidabele vinyl-rip).
Als je het hebt over de geschiedenis van de elektronische muziek kom je al snel uit bij de Moog, de ondioline, de Trautonium en de theremin. Een instrument dat altijd in het verdomhoekje zit, maar net zo belangrijk is geweest, is de ANS. De Russische ingenieur Evgeny Murzin sleutelde maar liefst twintig jaar aan deze vreemde oer-synthesizer (van 1937 tot 1957 - in zijn vrije tijd, dat dan weer wel).
De ANS maakt gebruik van glazen platen waar 'tekeningen' op staan die worden omgezet in muziek. Hoe dit proces precies werkt, wordt uitgebreid uitgelegd op deze Wikipedia-pagina – de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik tijdens het lezen enigszins de draad verloor. Murzin vernoemde de ANS naar de Russische componist Alexander Nikolayevich Scriabin (1872-1915), een notoire mafketel die gefascineerd was door Oosterse filosofieën en met enige goede wil valt te omschrijven als de eerste multimedia-kunstenaar. Murzin bouwde slechts één exemplaar van de ANS – niet zo heel verwonderlijk, het ding is ettelijke meters hoog en breed en weegt honderden kilo's. Tal van belangrijke Russische componisten schreven muziek voor de ANS, onder wie Alfred Schnittke en Edward Artemiev. Laatstgenoemde gebruikte de synthesizer om vreemde geluiden te produceren voor de films van Andrei Tarkovsky.
Vandaag de dag is het instrument te vinden in het Theremin Center in Moskou, waar hij trouw wordt onderhouden door Stanislav Kreichi, die geïnteresseerden de werking van het instrument uitlegt. De meeste musici die aan de slag gingen met de ANS konden de verleiding niet weerstaan om surrealistische, buitenaardse nummers te creëren, die nu vooral associaties oproepen met oude sciencefictionfilms uit de jaren vijftig en vroege krautrock (Tangerine Dreams 'Electronic Meditation' uit 1970 bijvoorbeeld).
Het Russische Electroshock-label bracht enkele jaren geleden een nu niet meer te krijgen verzamelaar uit, 'Archive Tapes Synthesizer ANS 1964-71', met twaalf intrigerende tracks van onder andere Stanislav Kreichi, Alfred Schnittke, Edison Denisov, Sofia Gubaidulina en Edward Artemiev. Geen gemakkelijke kost, wel uitermate intrigerend en een must voor liefhebbers van (experimentele) elektronische muziek. Luisteren doe je hier: deel 1 en deel 2 (256 kbps en respectievelijk 68 en 64 MB groot).