Het is een vraag waar je een muziekliefhebber behoorlijk onrustig mee maakt: je reist af naar een onbewoond eiland en mag één album meenemen – wat stop je in je hutkoffer? Omdat ik niet kon kiezen, besloot ik een top 100 samen te stellen. In 100 stukjes van 100 woorden laat ik mijn favoriete albums de revue passeren.
Je hebt muziek om de afwas bij te doen, muziek om op te dansen, bij in slaap te vallen, bij weg te dromen, je aan te ergeren, muziek om luidkeels mee te blèren en noem het allemaal maar op. En dan heb je nog muziek die bedoeld is om naar te luisteren. Echt te luisteren dus, zonder tegelijkertijd even je mail te checken, je goudvissen te voeren of je teennagels bij te knippen. Muziek waarover is nagedacht.
Zoals ‘Convergence’, het nieuwe album van Machinist (oftewel de Utrechtse kunstenaar en muzikant Zeno van den Broek, lees hier het interview dat ik eerder met hem had), verschenen op Narrominded / Betontoon. Niet dat – pak ‘m beet – Rihanna niet over haar muziek nadenkt, maar het lijkt me geen pretje om heel geconcentreerd haar nieuwste album uit te zitten. ‘Convergence’ is andere koek. Het album bestaat uit één track van 34 minuten, live opgenomen op 19 november 2011 in Amsterdam.
Het begint rustig, met wegstervende pianoklanken en elektronische effecten, die langzaam maar zeker gezelschap krijgen van noiseklanken en een aanzwellende zoemtoon - het audio-equivalent van een industriële bouwlamp. Deze geluiden ebben na verloop van tijd weg, om plaats te maken voor natuurgeluiden: regen, wind, getjilp van vogels. En net als je er lekker inzit, wordt het vervolgens licht oncomfortabel met witte ruis en sinusgolven, waarna pianoklanken en effecten je weer begeleiden naar het beginpunt.
Het klinkt wellicht niet heel spannend allemaal, maar tijdens het luisteren is het alsof om je heen de muren verdwijnen, je even onbeschut (puur bijna) in de wereld staat, waarna de woonkamer weer vanaf de grond wordt opgebouwd. Een scheppingsverhaal in geluid. En hoewel Zeno van den Broek op zijn vorige albums ‘of what once was’ (2011) en ‘Viens Avec Moi Dans Le Vide’ (2010) eveneens vanuit een bepaald idee uitging en dat secuur uitwerkte, voelt het alsof ‘Convergence’ pas écht een conceptalbum is: het samenkomen van geluid en ruimte.
Het is aan jou: je teennagels knippen met Rihanna of stilzitten en de diepte in met Zeno.
In 1949 componeerde de Franse kunstenaar en performancepionier Yves Klein (1928-1962) zijn ‘Monotone-Silence Symphony’. En dat monotone mag je letterlijk nemen: het stuk bestaat uit één akkoord dat een kamerorkest maar liefst twintig minuten aanhoudt, gevolgd door exact twintig minuten stilte. Om ervoor te zorgen dat het publiek zich de eerste twintig minuten niet stierlijk zat te vervelen, liet Klein vaak naakte modellen opdraven, die esthetisch over met blauwe verf ingesmeerde vellen papier moesten rollen en glibberen.
De Utrechtse geluidskunstenaar Machinist (oftewel de 29-jarige Zeno van den Broek) liet zich voor zijn vierde album ‘of what once was’ inspireren door Kleins symfonie. Het ruim 21 minuten durende ‘mono tone in d’ bestaat uit golvende gitaarexperimenten in een d-akkoord, waarbij de enige variatie bestaat uit de lengte van de tonen en verschillende trillingsvormen. Dit klinkt misschien net zo spannend als het kijken naar opdrogende verf, maar dankzij ratelende omgevingsgeluiden, sonore drones en af en toe zacht geknars en geknetter, blijft ‘mono tone in d’ van begin tot eind boeien.
Zeno van den Broek heeft geen naakte modellen nodig om je aandacht vast te houden: zijn muziek opent deuren in je geest. Het is alsof je ’s nachts door een schemerig verlichte fabriek dwaalt, vol met onbekende apparaten die al eeuwenlang geduldig ronddraaien. Na enige tijd te hebben rondgewandeld, wrik je een raam annex patrijspoort open en ontdek je tot je stomme verbijstering dat je je op volle zee bevindt, het zwarte water verlicht door een bleke maan…
‘’Ehhhh… Mag dit af?’’ De gelukzalige glimlach waarmee vriendin Eva enkele minuten eerder de woonkamer was binnenlopen - net terug van yoga en met keurig gladgestreken chakra’s - had plaatsgemaakt voor een enigszins ongemakkelijke blik. Ik gaf een slinger aan de volumeknop. Nu is Eva wel wat gewend, maar ik kan me zo voorstellen dat het inderdaad ietwat unheimisch thuiskomen is met de bizarre klanken en industriële drones van het Utrechtse trio Puin + Hoop.
Toen Eva binnenkwam was ik net aanbeland bij ‘Ceci n'est pas une Puin + Hoop’, het vijfde nummer van het album Door: metaalachtig geklingel, schurende, industriële geluiden, een af en toe opduikende bas en vreemde, rondzoemende klanken - alsof je een door roestige robots georganiseerde hoogmis bijwoont in een buitenaardse fabriekshal. Je chakra’s zouden er spontaan van in de knoop raken.
Achter Puin + Hoop schuilen Roald van Dillewijn, Remco Verhoef en Erik Uittenbogaard. Het drietal timmert al sinds 2006 aan de weg met in eigen beheer uitgebrachte en inventief vormgegeven albums, die zich op het kruispunt van ambient, improvisatie en experiment bevinden. Met Door pakt Puin + Hoop het anders aan: het album is uitgebracht door het Narrominded-label. Dit Nederlandse label heeft zich gespecialiseerd in geïmproviseerde muziek, noise, avant-garde en overige avontuurlijke wazigheid. Roald, Remco en Erik hebben er overigens wel voor gekozen om het ontwerp en de productie van de hoesjes in eigen hand te houden.
Opener ‘Het wondere toeval’ vormt de opmaat tot het intense ‘Bomendocumentaire’, dat wordt gedomineerd door aanzwellende en pulserend rondtollende zaaggeluiden en allerhande intrigerende elektro-akoestische achtergrondgeluidjes. ‘Huidig tijdsgewricht’ en ‘Complotkanaal’ zijn dan weer excursies door verlaten, nachtelijk landschappen, waarbij je verbeelding overuren draait en je brein surrealistische droombeelden projecteert op de binnenkant van je schedel. Na het al eerder genoemde ‘Ceci n'est pas une Puin + Hoop’ sluit het ruim een kwartier durende ‘Zuurstof III’ het album af met rammelende gitaren, piano, geruis, synths en vooral veel knetterend gebliep en gebloep.
Roald, Remco en Erik maken gebruik van alles en nog wat om hun soundscapes vlees en botten te geven (variërend van synths en vervormde pianoklanken tot veldopnames en zelfgebouwde ‘lawaaimakers’). Het resultaat is van een adembenemende gruizigheid. Je zou het album met een beetje goede wil kunnen bestempelen als industriële ambient, maar net als je denkt de muziek enigszins in de oren te hebben slaat Puin + Hoop de hoek om, en het duurt dan een paar tellen voordat je het trio weer hebt ingehaald. Alsof je groepen als Merzbow, Machinefabriek en Faust bij elkaar in de studio zet en de deur pas weer van het slot haalt als de stofwolken van de jamsessies zijn opgetrokken. Gedurfd, fantasievol en eigenzinnig - als je tenminste de rolluiken van je oren haalt.
Het was een beetje langs me heengegaan, om eerlijk te zijn. Kennelijk is Gordon al een paar maanden bezig om een nieuwe 'boyband' op poten te zetten. En dan niet zomaar een jongensband met vier of vijf gezonde knapen met hippe kapsels en een frisse adem, maar een stijlvolle zanggroep, strak in het pak en nadrukkelijk geënt op succesformules als Il Divo en The Canadian Tenors.
Hij plaatste een advertentie op Vocalisten.nl, liet tweehonderd mannen bij hem thuis auditie doen en dook uiteindelijk met Richy Brown (X Factor), Peter William Strykes, Roy van den Akker en Remko Harms (Op Zoek Naar Joseph) de studio in. Alle liedjes bestonden overigens al: Gordon had van zijn goede vriendin Tineke de Nooij een cd gekregen met liedjes van een Zuid-Afrikaanse jongensgroep. Gordon vertaalde er enkele in het Nederlands, schreef er nog een extra nummer bij en voilà: Los Angeles, the voices was geboren.
Het is verleidelijk de groep af te doen als wederom een tot mislukken gedoemd project van Gordon, maar ik heb geprobeerd zo onbevangen mogelijk naar het debuut te luisteren. En verdomd, het werkt! Nu ja, eigenlijk vooral de eerste twee nummers, moet ik er wel aan toevoegen. De instrumentale opener 'Los Angeles, the anthem' is heerlijk aanzwellend bombastisch, vol gegroffel en kopergeschal, en gaat naadloos over in 'Los Angeles, the voices, the song'. Een mierzoet, misschien zelf wat kitscherig nummer, waarbij alles uit de kast wordt gehaald. Het is dat ik gestopt ben met roken, anders had ik tijdens het luisteren spontaan mijn aansteker uit mijn zak gehaald om met het ontstoken vlammetje mee te deinen.
Om maar gelijk met een bekentenis te beginnen: ik ben fan van Kula Shaker. Het is niet zo dat ik de Engelse groep rond frontman Crispian Mills over de hele wereld achterna reis en slaap onder een Kula Shaker-dekbed, maar ik heb wel alle albums in de kast staan. Nu is dat niet zo'n hele grote prestatie, want Kula Shaker heeft slechts drie albums uitgebracht (en drie ep's), waarvan twee in hun hoogtijdagen ('K' en 'Peasants, Pigs & Astronauts' uit 1996 en 1999) en eentje na een doorstart ('Strangefolk' uit 2007). Het tempo wordt nu gelukkig enigszins opgevoerd met 'Pilgrim's Progress' de nieuwste loot aan de Kula Shaker-boom. Of beter gezegd: een nieuw wierookstokje in de houder…
Kula Shaker roeide met hun psychedelische flower power-rock medio jaren negentig behoorlijk tegen de alternatieve rockstroom in en groeide dankzij hits als 'Hush', 'Govinda' en 'Tattva' uit tot een onwaarschijnlijke wereldact. Nadat Crispian Mills zich wat ongelukkig had uitgelaten over Adolf Hitler, het swastikasymbool en nazi-uniformen, en bovendien enigszins naast zijn schoenen begon te lopen, was het snel gedaan met de populariteit van Kula Shaker. Mills werd enthousiast aan de schandpaal genageld door de Engelse pers en excuses mochten niet meer baten: 'Peasants, Pigs & Astronauts' verkocht lang niet zo goed als het bijzonder succesvolle debuut en in 1999 werd Kula Shaker opgeheven - om zes jaar later weer stilletjes aan een tweede leven te beginnen.
In tegenstelling tot het enigszins zwaar beladen 'Strangefolk', ligt het er deze keer wat minder dik bovenop. De sfeervolle, met strijkers gelardeerde opener 'Peter Pan RIP' en de ballad 'Ophelia' beloven veel goeds en worden afgewisseld met vintage Kula (zoals 'Modern Blues', 'Figure It Out' en 'Barbara Ella'), akoestische, ietwat pompeuze tracks (zoals 'Ruby', 'Only Love' en 'Cavalry', over een groep gedemoraliseerde en in het nauw gedreven soldaten) die echo's oproepen van Donovan en het vroege werk van Bob Dylan.
Het leukste zijn de nummers waarop Kula Shaker zich laat gaan en eens wat anders probeert, zoals bijvoorbeeld in 'All Dressed Up (And Ready To Fall In Love)' met zijn opzwepende en jengelende cowboygitaren, het instrumentale 'When a Brave Meets a Maid', waarop surfmuziek wordt gecombineerd met een epische Ennio Morricone-touch, en de sprookjesachtige sitarballade 'To Wait Till I Come'. Met het bijna zeven minuten durende 'Winter's Call' probeert Kula Shaker 'Pilgrim's Progress' met een daverende klap af te sluiten (en is daarbij niet zuinig met langgerekte gitaarsolo's en zelfs een gierend orgeltje), maar de vonk wil niet helemaal overslaan.
'Pilgrim's Progress' laat zich beluisteren als een band die zijn niche heeft gevonden, af en toe eens wat uitprobeert, maar over het algemeen trouw blijft aan de sound waar ze beroemd mee zijn geworden: radiovriendelijke psychedelische folkpop met een spiritueel tintje, bij uitstek geschikt voor wie af en toe eens nostalgisch mijmert over het verleden - al dan niet over het eerste Kula Shaker-album...
Een olievlek zo groot als Nederland zaait dood en verderf voor de Amerikaanse kust, inhalige bankboeven brengen complete landen aan de rand van een faillissement en intussen doemen tientallen miljarden euro's aan bezuinigingen als dreigende slagschepen op aan de horizon - vrolijk word je niet van het Journaal. Maar als het me allemaal even te veel wordt, kan ik me gelukkig altijd wenden tot de Zweedse zangeres Lisa Isaksson, die in een geheel eigen wereldje leeft en muziek maakt alsof de tijd sinds begin jaren zeventig is stil blijven staan. Onder de noemer Lisa o Piu (oftewel 'Lisa en haar band') verscheen vorig jaar haar debuut 'When This Was The Future', dat was gevuld met verstilde, feeërieke liedjes, die ijl wegzoemden naar langvergeten werelden.
Opvolger 'Behind the Bend' is een min-album (met een speelduur van een klein half uurtje), waarschijnlijk bedoeld om de fans die enigszins wakker dreigden te worden, weer in slaap te soezen. Het recept is hetzelfde gebleven: Lisa die fraaie liedjes zingt en zichzelf begeleidt op gitaar, aangevuld met onder andere spaarzame percussie, fluit, klarinet en harp. De enigmatische opener 'Was It The Moon' zet al direct de toon en valt op door de halverwege het nummer opduikende sitarklanken. 'Simplicity' is voornamelijk opgebouwd rond akoestisch getokkel, en wie al niet zat te knikkebollen, zal dat tijdens 'Dream Of Goats' zeker gaan doen. Het korte instrumentale 'World Falling Down' is de opmaat voor het twaalf minuten durende 'Child of Trees', dat aanvankelijk wordt gedomineerd door harpspel en zang (een beetje à la Joanna Newson, hoewel Lisa een veel fijnere stem heeft), om na een minuut of vijf te veranderen in een min of meer aanzwellend instrumentaal epos. Afsluiter 'Gong For Hours (Jupiter's Under The Moon)' valt uit de toon: donkergalmende klankschalen en vogelgeluiden (en dat zo'n vier minuten lang) - alsof de geachte bezoekers Lisa's sprookjesbos nu wel weer mogen verlaten.
'Behind the Bend' weet minder resoluut te overtuigen dan debuut 'When This Was The Future', maar is nog altijd bijzonder sfeervol, met een fijne retro 'psychfolk'-feel. En dat Lisa Isaksson af en toe misschien enigszins voortkabbelt - ach, ze zingt het zelf al: ''Simplicity is all I’m asking for''.
Het lijkt wel alsof de groep Uran helemaal niet wil dat je hun titelloze album (verschenen op Sulatron Records) beluistert: op het cd-hoesje prijkt een nogal lelijke, Gumbah-achtige tekening, op de achterkant is een nietszeggende auto en de rug van een jongen met een capuchon te zien en het boekje bevat foto's van onder meer een ronddraaiende dönervleesrol. De nummers gaan door het leven als 'STRAALSKADAD', 'manslut', 'fatfucker' en 'URI BOCK' en als kers op de taart vind je onder de cd-tray een kleurenfoto van een dikke puist die op springen staat.
Enigszins op mijn hoede zette ik me dan ook aan het luisteren. Gelukkig bleek het allemaal nogal mee te vallen: de Zweden van Uran maken nerveuze, overspannen instrumentale psychedelische rock, met de nodige gamebliepjes en rafelige randjes - alsof je Motörhead en de Ozric Tentacles bij elkaar in de oefenruimte zet, Lemmy even bier laat halen en iedereen op het hart drukt dat het tempo vooral hoog moet liggen want hij kan elk moment terugkomen.
De dertien tracks bulderen in een gelijkvormige brij in bijna drie kwartier je speakers uit, zonder ook maar enige subtiliteit of nuance. En net als je enigszins meegesleept dreigt te worden door de aanstormende vloed aan riffjes en pompende drums, is het desbetreffende nummer alweer afgelopen; met een gemiddelde songlengte van tweeënhalve minuut is het nu eenmaal lastig psychedelische spacerock maken…
Je moet er even goed voor gaan zitten en je mentaal schrap zetten, maar dan heb je ook wat: het Berlijnse kunstenaarscollectief Wooden Veil doemt als een archetypische nachtmerrie op aan de horizon, waar de ondergaande zon dieprood kleurt en onvermoede, diep in de genen verankerde angsten en droombeelden opeens de kop opsteken…
Of, om het in de woorden van schrijver en curator Carson Chan te zeggen: ''Belonging to a world that is at once pre-millenial and post-apocalyptic, Wooden Veil’s music is the drumbeat of an ancient yet technological past channeled through the sounds of a post-human race.''
Het Berlijnse kunstcollectief Wooden Veil bestaat uit componist Marcel Türkowsky (wellicht bekend als oprichter van Snake Figures Arkestra), zangeres en fotografe Hanayo, Christopher Kline, Dominik Noé (ook te bewonderen in de krautrockformatie Lustfaust) en Jan Pfeiffer. Samen maken ze muziek die nauwelijks in woorden valt te vatten: een mengeling van rituele drones, noise-uitbarstingen, sjamanistisch gechant en duistere soundscapes. Voor een vervreemdende dimensie zorgt de lieflijke stem van Hanayo, die in het Japans (of althans iets dat daar erg veel op lijkt) dromerig door enkele tracks heen lijkt te wandelen, voorzichtig over smeulende fabrieksleidingen stappend.
De tien nummers op het titelloze debuut lijken in eerste instantie weinig met elkaar te maken te hebben (afsluiter 'Church Scream' werkt bijvoorbeeld behoorlijk op de zenuwen en klinkt alsof een of andere omineuze martelmachine hoognodig eens goed gesmeerd moet worden, terwijl 'Moon and Hamburg' je bijna in slaap wiegt), maar als je je verdiept in de wereld van Wooden Veil blijkt achter alles een diepere betekenis te zitten. Het collectief ontwerpt zijn eigen kleding, symbolen, instrumenten, relieken en noem het maar op, en verpakt dit alles in intrigerende kunst-installaties, soms ondersteund door net zo wazige (YouTube-)clipjes, die net zo knarsen en schuren als hun muziek. Kortom, Wooden Veil maakt muziek als de vleesgeworden stuiptrekkingen van een alternatieve 21ste eeuw…
Het in 1997 opgerichte Finse trio Cleaning Women houdt er kennelijk van om mensen op het verkeerde been te zetten. Het begint al bij de naam: je zou verwachten drie frisse poetsvrouwen aan te treffen, maar nee, het gaat om drie heren, die zo weggelopen lijken te zijn uit een Tim Burton-film.
De groepsleden gaan door het leven als CW03, CW01 en CW04 en bespelen tal van zelf in elkaar geknutselde instrumenten, waaronder een drumstel dat is samengesteld uit tenminste drie wasmachines. Voor zover ik kon achterhalen uit de bijzonder wazige songteksten is het eind vorig jaar verschenen derde album 'U' (net als voorganger 'Aelita - The Queen Of Mars' uit 2005) een conceptalbum. Het verhaal speelt zich af in de verre toekomst, als het einde van de mensheid nadert. Op een verre planeet aanbidt een mijnwerkerskolonie in fervente religieuze vervoering een verzameling 'eeuwige energiestenen', die opgedolven zijn uit mijnen die vele millennia oud zijn. Of zoiets dergelijks.
De instrumentale opener 'Quartarius' klinkt hoogst intrigerend: een Blue Men Group-achtige drone, rinkelende, metaalachtige percussie en bezwerende, 'chantende' zang. Het tweede nummer, 'Across The Void', borduurt verder op de ingeslagen sfeervolle weg, terwijl het half in een fantasietaal gezongen 'Nozeryu' langzaam verandert in een min of meer 'gewoon' liedje met Talking Heads- en Sigur Rós-elementen, 'The Miners' Song' in zijn kielzog meeslepend. En net als je denkt het trucje door te hebben, schuurt het instrumentale, desolate 'Dead Birds Can't Fly' voorbij. 'U-235' en Oxygen Mask' schroeven het tempo dan weer op. De acht minuten durende afsluiter 'Scythians' valt te omschrijven als een muzikale samenvatting van het voorgaande half uur: knarsende akkoorden, een syncopische beat, afgesloten door machinale ritmes en bijkans religieus gezang.
Cleaning Women combineert machinale toekomstpop met intrigerende soundscapes, die je meenemen naar een vervreemdende wereld.Interessant is wel het minste wat je over 'U' kunt zeggen. En na een paar keer luisteren weet ik nog steeds niet helemaal wat ik er mee aanmoet - maar zijn dat niet de leukste albums?
Het is dat het met mijn mentale gezondheid wel snor zit, anders was ik na het luisteren naar het album ‘Black Zodiac’ van de Amerikaanse formatie Astrophobia ongetwijfeld rijp voor opname in een gezellig ingericht gesticht, met zachte gecapitonneerde wanden en begripvol personeel.
Je zou het debuut van Astrophobia kunnen omschrijven als een paranoïde allegaartje van spacerock, doom metal, psychedelica, noise en ondefinieerbare vaagheid - 'cosmic chaos' noemt de band het zelf. De songteksten gaan over ziekte, duisternis en allerhande akelige wezens die in de ruimte ronddwalen (hoor ik daar iemand Lovecraft roepen?), op zoek naar snode manieren om dood en verderf te zaaien - vandaar dus ook de bandnaam. Astrophobia is namelijk een aandoening waarbij je een abnormale angst ontwikkelt voor de ruimte, sterren, planeten en dergelijke. Wie last heeft van deze fobie is vaak doodsbenauwd voor aliens en vermoedt overal Area 51-achtige samenzweringen.
De tracks dragen weliswaar prachtig welluidende titels als 'Interstellar Super Evil', 'Universe of Darkness' en 'Cosmic Penetration part I', maar die kunnen niet verhullen dat het allemaal wel erg veel op elkaar lijkt en vaak klinkt alsof je wasmachine hoognodig eens een flinke doorsmeurbeurt nodig heeft - of als een boze en strontchagrijnige Rob Zombie die de synthesizer heeft ontdekt.
Maar goed, Astrophobia mag dan soms een beetje stuurloos heen en weer zwalken door een inktzwart universum, het heeft wel wat - al dan niet in een dwangbuis. Hier alvast een voorproefje.